Kamerlid geeft feiten over schikking onjuist weer

Vorige week is bekend geworden dat de voormalig adjunct-directeur van Philips Pensioenfonds Fred H. ter zake van geconstateerde fiscale fraude een strafrechtelijke schikking met het openbaar ministerie heeft getroffen ter hoogte van 1,5 miljoen gulden.

Naar aanleiding van de rondom deze schikking ontstane publiciteit en gestelde Kamervragen heb ik in NRC Handelsblad van 18 augustus j.l. betoogd dat er wel degelijk goede gronden zijn om in bepaalde fraudezaken de verdachte het recht te gunnen om een regeling met justitie te treffen. Daarbij heb ik met name gewezen op de zogenaamde sanctiecumulatie (schorsing, ontslag, intrekking vergunning, beroepsverbod) en de door de publiciteit veroorzaakte trial and execution by media.

Op deze stellingname is in NRC Handelsblad van 20 augustus j.l. gereageerd door het SP-Kamerlid Jan de Wit. Schikking met witteboordencriminelen zou – kort gezegd – de deur openzetten voor klassejustitie.

De wijze waarop deze parlementariër – nota bene zèlf voormalig sociaal advocaat – tot deze conclusie komt, wordt bepaald niet gekenmerkt door kennis van zaken. Allereerst wordt in twijfel getrokken mijn bewering dat in de praktijk een buitengerechtelijke afdoening allang regel is geworden. Ik kan hier simpel volstaan met verwijzing naar het laatste Jaarverslag van het OM: in 1998 zijn 256.300 rechtbank(straf)zaken afgedaan door het OM, tegen nog niet de helft (116.400) door de rechter.

Vervolgens worden twee zogenaamde schikkingszaken opgevoerd, waarbij – kennelijk niet gehinderd door enige dossierkennis – de feiten niet alleen onjuist maar bovendien tendentieus en misleidend worden gepresenteerd. Ik kan dit met zoveel stelligheid zeggen omdat ikzelf in beide zaken als raadsman betrokken ben geweest.

De eerste zaak die er (kennelijk als smaakmaker) met de haren wordt bijgesleept is de vervolging van de familie Van der Valk. De Wit spreekt hier van een bekende schikking die het openbaar ministerie zou hebben getroffen. Niets is minder waar. Van meet af aan werd de verdediging geconfronteerd met een OM dat vastbesloten was om de tegen vier vestigingen aangekaarte zaken niet te schikken, maar bij de rechter aan te brengen. Dat is dan ook gebeurd en heeft zowel in eerste aanleg bij de rechtbank als in hoger beroep bij het gerechtshof geleid tot een rechterlijke veroordeling.

Los daarvan moest het concern voor àlle vestigingen met de belastingdienst een regeling treffen voor niet alleen de opgelegde naheffingen en boetes, maar ook voor nog openstaande aanslagen. De fiscale package-deal op deze verschillende posten kwam uiteindelijk neer op zo'n 140 miljoen gulden voor het totale concern. Van een schikking met het OM is dan ook in het geheel geen sprake geweest. Wel heeft de rechter bij de straftoemeting kennelijk rekening willen houden met het feit dat de veroorzaakte schade inmiddels was vergoed. Dat is bij alle strafzaken (dus ook niet-witteboordenzaken) gebruikelijk. Was dat hier niet gebeurd, dan zou eerst met rècht van klassenjustitie gesproken kunnen worden.

De tweede onjuist gepresenteerde zaak betreft de vorige week getroffen schikking. De Wit spreekt hier over een ,,schikking in een grote strafzaak van vermoede witteboordencriminaliteit op de beurs, zoals frontrunning, het handelen met voorkennis, het witwassen van zwart geld via de beurs, belastingfraude, valsheid in geschrifte, omkoping en deelneming aan een criminele organisatie''.

Kennelijk heeft De Wit geen kennis kunnen of willen nemen van de persberichten die eerst door het OM en vervolgens door het OM en de verdediging gezamenlijk zijn uitgebracht. De schikking heeft namelijk uitsluitend betrekking gehad op fiscale fraude en is uitgerekend niet getroffen inzake witteboordencriminaliteit op de beurs. Zodra namelijk uit onderzoek was gebleken dat betrokkene géén aan de beurs of aan zijn functie gerelateerde fraude had begaan, heeft de rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek gesloten. Hierna heeft de officier de betreffende feiten geseponeerd met code 01: ten onrechte als verdachte aangemerkt.

Oud-advocaat Jan de Wit weet het echter beter: hij blijft spreken over een beursfraudeverdachte die ter zake van witteboordencriminaliteit op de beurs voor de rechter moet worden gebracht. Geldt dat dan ook in bijvoorbeeld moordzaken, wanneer onderzoek heeft uitgewezen dat een aanvankelijk verdachte de moord niet heeft begaan? Gooi je het dan ook op gebrek aan expertise en mankracht (zoals De Wit suggereert)? Of spelen de door de term witteboordencriminaliteit opgeroepen dollartekens het SP-lid hier parten? Over klassenjustitie gesproken.

Het is jammer dat de per 1 juni j.l. gewijzigde Wet op de Rechterlijke Organisatie de aanwijzingsbevoegdheid van de minister van Justitie zo expliciet heeft vastgelegd. Dat leidt tot allerlei directe bemoeienis van parlementariërs met het vervolgingsbeleid in concrete strafzaken, waarvoor de minister van Justitie immers ter verantwoording kan worden geroepen.

Voer voor Kamerleden die populistisch willen scoren. Dit komt echter niet bepaald ten goede aan de kwaliteit van de strafrechtspleging. Die is immers meer gebaat bij politieke aandacht voor structurele problemen, zoals het (enige) terecht door Jan de Wit gesignaleerde probleem van het onderscheid in verdedigingsmogelijkheden tussen betalende zaken en zaken die het moeten hebben van de gefinancierde rechtshulp.

Om dit soort `klassenjustitie' aan te pakken lijkt het mij wel handig om een voormalig sociaal-advocaat in je fractie te hebben.

Prof.mr. P.J. Baauw is bijzonder hoogleraar mensenrechten in het straf(proces)recht aan de Universiteit Utrecht en raadsman van enkele verdachten in het Clickfondsonderzoek.

Strafrechtspleging niet gebaat met populistisch scoren

    • P.J. Baauw