Het financieringstekort is weg, nu de staatsschuld nog

Eindelijk lijkt de tijd van begrotingstekorten voorbij.

Maar volgens Maarten Schinkel is het nog veel te vroeg voor de overheid om mooi weer te spelen.

Nu zal allereerst de torenhoge staatsschuld moeten

worden teruggedrongen.

Te optimistisch, zo noemde premier Kok vorige week de prognose van het Centraal Planbureau dat het begrotingstekort volgend jaar op zo goed als nul kan uitkomen. Kennelijk heeft een uitruil van inzichten tussen het CPB en het ministerie van Financiën sindsdien geleid tot een compromis in het lopende kabinetsberaad over de begroting 2000: die zal volgend jaar een evenwicht in zicht krijgen, maar het nog niet halen.

Nu zijn ramingen over de economie en de Rijksfinanciën verraderlijk, en zowel het CPB als Financiën gaan daarbij niet vrijuit. Het jaar 1999 wordt daar een schoolvoorbeeld van. Nog dit voorjaar achtte het CPB het onwaarschijnlijk dat de economie dit jaar met 2 procent zou kunnen groeien. Sindsdien is die prognose tot tweemaal toe naar boven bijgesteld. Het laatste nieuws uit het kabinetsberaad is dat de voorspelling nu 2,75 procent luidt. Met de cijfers over het tweede kwartaal die vanmorgen door het Centraal Bureau voor de Statistiek werden gepubliceerd, lijkt het beeld nóg rooskleuriger. Na een groei van 3 procent in het eerste kwartaal, gaf het tweede kwartaal een groei van 3,2 procent te zien. Nederland is wederom bezig aan een gunstig economisch jaar: drie procent groei moet niet worden uitgesloten.

Niet alleen het CPB, dat ook de inflatie begin dit jaar veel te laag raamde, heeft wat van zijn glans verloren. Dat geldt ook voor het ministerie van Financiën. Jaar in jaar uit is de Tweede Kamer onder Paars achteraf geconfronteerd met `meevallers' in de inkomstensfeer. Die meevallers kwamen pas naar boven aan het eind van het jaar en zijn definitief in de daarop volgende lente, zodat het parlement telkens voor een voldongen feit werd gesteld. Gezien die traditie is er reden te over om de gebruikelijke terughoudendheid van Financiën over de belastinginkomsten met een flinke korrel zout te nemen. Het departement heeft het er zelf naar gemaakt.

Hoe optimistisch was die CPB-prognose van twee weken geleden voor begrotingsevenwicht volgend jaar nu eigenlijk? Die vraag moet door een andere vooraf worden gegaan. Hoe groot is de kans dat al dit jaar evenwicht wordt bereikt? Die kans is redelijk groot. De economie groeit fors door, de huizenprijzen zijn blijven stijgen en de consumptieve bestedingen ook. De beurs houdt zich goed. De kredietverlening groeit de pan uit. De export floreert, de dollarkoers bevindt zich met 2,10 gulden ruim boven de stoutste verwachtingen aan het begin van het jaar. En de olieprijs is van nog geen tien dollar per vat omhoog geschoten naar 20 dollar. De werkgelegenheid blijft toenemen, en het aantal werklozen blijft navenant dalen. In de marktsector groeien de lonen met tussen de vier en vijf procent.

Al deze factoren werken zeer positief in op de overheidsfinanciën. Ook de veel hoger dan verwachte inflatie doet wonderen voor het financieringstekort. Dat maakt het alleszins waarschijnlijk dat in de lente van volgend jaar tot `verrassing' van Financiën het dan afgesloten boekjaar 1999 opeens een begrotingsevenwicht te zien zal hebben gegeven. De discussie over het al of niet ontstaan van zo'n evenwicht hoeft dus niet over de begroting 2000 te worden gevoerd, maar is nu al hoogst actueel.

Nu telt een gewaarschuwd parlementariër voor twee. In het regeerakkoord van Paars II is al een verdeelsleutel aangebracht voor het geval het tekort onder de 0,75 procent van het bruto binnenlands produkt zou dalen. Is dat punt bereikt, dan gaat nog maar de helft van `meevallers' naar verdere reductie van het tekort, en gaat de andere helft naar lastenverlichting.

Tijdens het debat over de regeringsverklaring in augustus 1998 gingen PvdA-fractievoorzitter Melkert en zijn VVD-collega Dijkstal al in discussie over wat zou moeten gebeuren als onverhoopt een begrotingsevenwicht voor 1999 uit de bus zou komen. Destijds beoordeeld als nogal prematuur, is dat debat nu plots weer actueel. Inderdaad: wat moet er gebeuren wanneer een evenwicht wordt bereikt, of zelfs een overschot?

Het antwoord zou moeten luiden: niets. De staatsschuld mag dan de 60 procent van het bruto binnenlands product bereiken die in Europa te boek staat als een veilig peil bij een inflatie van 2 procent en een economische groei van 3 procent, het blijft een schuld. De jaarlijkse rentebetalingen van zo'n 40 miljard op die staatsschuld (let wel: elke maand 420 gulden per huishouden) blijven weggegooid geld. Als het financieren van extra lastenverlichting neerkomt op het voorkomen van een begrotingsoverschot, dan blijft dat leven op de pof.

Los daarvan zijn er afspraken in EMU-verband die lidstaten nopen tot het aanhouden van overschotten in gunstige economische tijden. Zo kan als het straks economisch tegenzit het tekort eventueel weer oplopen. Het alternatief is dat bij economische tegenwind extra bezuinigd moet worden, hetgeen het conjuncturele dal nodeloos diep maakt. En dan zijn er nog de toekomstige kosten voor vergrijzing, die over een jaar of tien kunnen oplopen tot 6 procent van het bruto binnenlands product. Het voor die vergrijzing ingestelde `AOW-fonds' is totnutoe goeddeels een cosmetische maatregel gebleken.

Het is ruim een kwart eeuw geleden dat, in het oliecrisis-jaar 1973, Financiën voor het laatst kon prijken met een begrotingsoverschot. De reeks van tekorten die sindsdien is ontstaan, en het land met een nodeloos hoge staatsschuld heeft opgezadeld, maakt grote kans om onder Zalm nu te worden beëindigd. Maar met de normalisering van het begrotingssaldo is het doel nog maar half bereikt. Met de normalisering van de staatsschuldquote, die begin jaren zeventig zo'n twintig procent bedroeg, vier jaar terug piekte op ruim tachtig procent en volgend jaar richting 60 procent zal dalen, is nog pas een begin gemaakt.

Om die normalisering werkelijk gestalte te geven, moet voortaan niet meer worden gesproken over tekortreductie versus lastenverlichting, maar over het veel verstrekkender staatsschuldreductie versus lastenverlichting. Want daar komt de discussie uiteindelijk op neer. In Finland (2,3 procent begrotingsoverschot in 1999) kunnen ze het, in Zweden (0,7 procent), in Ierland (2,4 procent), in Denemarken (2,4). En buiten de EUin de Verenigde Staten (1.9 procent), Canada (1,6) en in Australië (1,1).

Zo politiek onmogelijk is het elders allemaal kennelijk niet. De terughoudendheid van premier Kok over het onderwerp begrotingsoverschot verraadt dat de minister-president het belangrijkste gevaar wel onder ogen ziet. Het voorspellen van een begrotingsoverschot draagt het risico een self denying prophecy te worden. Het extra geld dreigt in dat geval al bij voorbaat te worden gespendeerd, waardoor het overschot er niet van zal komen. Maar beter dan de zaken structureel te pessimistisch voor te stellen om de Kamer vervolgens achteraf het overschot te presenteren, is het om de discussie gewoon openlijk te voeren. Een overschot is haalbaar, én wenselijk.

Maarten Schinkel is redacteur van NRC Handelsblad.