De klerenberg

De overheid wil dat per 2000 tenminste de helft van alle afgedankte kleren, lakens en gordijnen wordt ingezameld in plaats van verbrand. Maar wat moet er met deze textielberg gebeuren? De markt voor gebruikte kleding in de Derde Wereld stagneert, en recycling vraagt nog een flinke investering in technologie.

Vooral in gezinnen met jonge kinderen stapelen de kleren zich vaak op. De kasten liggen vol met te klein geworden truitjes en broekjes, afgesleten spijkerbroeken, verkleurde blouses, uit de mode geraakte jassen en slecht passende jurken. Veel bezitters van zo'n berg textiel gaan eerst hun kennissenkring na. De kleertjes tot maat 74 kunnen naar de zus die een baby krijgt, de zwarte rok naar de vriendin die zo graag zwart draagt. Maar wat dan?

Sommigen doen hun kleding naar een kringloopcentrum of ze geven ze elk kwartaal mee met een charitatieve instelling. Anderen brengen ze naar een van de kledingbakken die je steeds vaker bij supermarkten ziet. De meeste echter proppen de afgedankte kleren, lakens en gordijnen toch maar gewoon in de grijze afvalbak. En vandaar verhuizen ze naar de afvalverbrandingsinstallaties, samen met de boterhamzakjes, de koffiefilters, de tonijnblikjes en de lege suikerpakken.

Het ministerie van VROM schat het textielverbruik per Nederlander op zo'n twaalf kilo per jaar. Van deze twaalf kilo wordt iets meer dan drie kilo kleding ingezameld. Dat betekent dat in Nederland jaarlijks ongeveer honderdveertigduizend ton textiel de lucht in gaat. Die verspilling is VROM een doorn in het oog en het streven is dan ook al jaren om voor 2000 tenminste vijf kilo kleren per persoon in te zamelen. Maar het blijkt niet zo makkelijk burgers hierin te veranderen. Want de hoeveelheid ingezamelde kleding blijft maar schommelen rond de drie kilo. Een van de redenen voor het ministerie om begin september het inzamelingsbeleid te heroverwegen.

Nederland is na de VS en Duitsland de derde exporteur van gebruikte kleding. Je verwacht dan dat juist de exporteurs van tweedehands kleding het streven naar meer inzameling van kleding steunen. Maar kledingexporteur Hans Brak uit Woerden, voorzitter van de Vereniging Hergebruik Textiel, is helemaal niet ontevreden over die drie kilo per Nederlander. ,,Hoe meer je gaat inzamelen'', verklaart hij, uitkijkend op een hal vol zakken gedragen truitjes, blouses en broeken, ,,hoe meer de kwaliteit van het textiel naar beneden gaat. De mensen die nu hun kleren meegeven of in kledingbakken doen, geven meestal bruikbare, schone kleding. Wanneer je massaal gaat inzamelen komen bij de nog hele spijkerbroeken ook de kapotte spijkerbroeken vol verf. De sorteerbedrijven hebben meer afval en de prijs per kilo daalt.''

In geen enkel westers land ligt de hoeveelheid ingezamelde kleding boven de drie kilo per persoon. De internationale handel is hierop ingesteld. Bij deze handel zijn ruwweg vijf partijen betrokken: de inzamelaars (meestal charitatieve instellingen), de Nederlandse sorteerbedrijven die de kleding vaak ook exporteren, de importeurs, en de verkopers op markten, langs wegen en in kringloopwinkels. Om aan de vraag van de importeurs te kunnen voldoen halen de ongeveer veertig Nederlandse sorteerbedrijven gebruikte kleren uit de hele wereld, tot aan IJsland toe. Daarbij kopen ze meer dan tachtig procent van de charitatieve inzamelaars, de rest kopen ze van commerciële inzamelaars.

In Nederland zijn de grootste inzamelaars KICI (Kleding Inzameling Charitatieve Instellingen), Stichting Humana Fondsenwerving, het Leger des Heils en de Stichting Mensen in Nood. De charitatieve instellingen brengen de kleding dus niet zelf naar de armen in de Derde Wereld, zoals veel mensen denken, maar ze verkopen de ingezamelde kleding aan de commerciële sorteerbedrijven en met het hiermee verdiende geld steunen ze goede doelen. ,,De relatie tussen de inzamelaars en de sorteerbedrijven is nu goed in balans'', stelt Brak vast.

De in Nederland ingezamelde kleren kunnen terecht komen in 110 landen. De beste kwaliteit broeken, blouses, jassen en rokken gaan naar de tweedehands winkels en markten in West- en vooral Oost-Europa. De tweede kwaliteit gaat veelal naar West-Afrika en de minste kwaliteit, waaronder veel Amerikaanse kleren, gaat meestal naar Oost-Afrika.

Volgens Brak zijn op het moment de mogelijkheden om meer kleren te exporteren gering. De markt voor gebruikte kleren is de afgelopen twee jaar zelfs wat afgenomen, doordat het met Rusland slechter gaat. ,,We zouden het sorteren nog wat op kunnen voeren als het in Rusland weer wat beter gaat. Maar echt soelaas biedt dat niet. Alleen wanneer de dollar extreem duur wordt, kan de markt flink aantrekken. Want dan kopen de Oost-Afrikanen eerder bij ons dan bij de Amerikaanse exporteurs.'' Enkele zeer grote kledingverbruikers, zoals China, India en Indonesië, houden hun grenzen voor tweedehands kleding gesloten om de eigen kledingindustrie te beschermen. Brak verwacht niet dat daar snel verandering in komt. Misschien dat Nigeria zijn grenzen nog eens openstelt maar dat is koffiedik kijken.

Koos van Zwieten, directeur van de charitatieve kledinginzamelaar KICI, ziet nog wel wat groeimogelijkheden om kleren af te zetten. Uit een onderzoeksrapport dat KICI vorig jaar liet uitvoeren, blijkt dat de tweedehands kleren het uitgestrekte platteland in de Derde wereld nauwelijks bereiken, terwijl veel armen volgens het rapport de kleren goed kunnen gebruiken: kleren van de kleermaker zijn voor hen te duur. ,,Om handelaren in gebruikte kleding zover te krijgen dat ze ook naar het platteland gaan zou je ze extra moeten belonen'', stelt Van Zwieten voor, bijvoorbeeld met betere kwaliteit voor dezelfde prijs.

De KICI-directeur wil dat de Nederlandse overheid het inzamelen van kleren stimuleert. ,,Ze kan subsidie geven voor hergebruik en recycling. Of mensen laten betalen per kilo afval, zoals in een enkele gemeente al wordt gedaan.'' Toch verwacht ook Van Zwieten niet dat op korte termijn heel veel meer kleren in de derdewereldlanden kunnen worden afgezet. De rest, zo vindt hij, moet dan verwerkt tot grondstof voor de industrie. Tweedehands katoen- of linnenvezels besparen immers op nieuwe, verse vezels en dus ook op landbouwgrond, water, bestrijdingsmiddelen en kunstmest.

Maar wat voor mogelijkheden zijn er voor recycling? Het afval dat de sorteerbedrijven hebben wordt al grotendeels gerecycled. Van de in Nederland ingezamelde en geïmporteerde kleren (ongeveer 150.000 ton) is ongeveer zestig procent goed genoeg om te verhandelen, vijftien procent wordt uit elkaar getrokken tot vezeltjes voor de wol-, de tapijt- en de matrasindustrie en twintig procent gaat als poetslappen naar de poetsdoekenindustrie. ,,De markt voor poetslappen is verzadigd'', constateert Brak. Ook in de export van grondstoffen naar de wol-, de tapijt- en de matrasindustrie ziet hij niet veel groeimogelijkheden.

Anton Wijpkema van TNO Industrie in Enschede ziet wel afzetmogelijkheden in de zogeheten nonwovens, materiaal dat bestaat uit geplakte en in elkaar gestoken vezels en dat wordt gebruikt voor bijvoorbeeld vilt, keukendoekjes en voering in pakken. Maar verwerking hierin vraagt wel nog wat technologie en reorganisatie. Vooral het selecteren van het textiel op grondstof – katoen, polyester, linnen, acryl – is een bottleneck. TNO werkt daarom met een Nederlandse nonwoven-leverancier aan een apparaat, genaamd Identitex, dat op basis van laser en infraroodstraling de grondstof identificeert waarna de textiel in de juiste bak valt. ,,Probleem is wel dat de stoffen steeds meer mengsels van materialen zijn'', vertelt Wijpkema. ,,Door de wol zit glitterdraad of op het katoen zit een waterafstotend laagje. Dat maakt het moeilijk om echt zuivere grondstof te krijgen. Iets wat de toepassing beperkt, want voor de duurdere, speciale nonwovens en ook voor het opnieuw spinnen en weven van materiaal moet de grondstof zuiver zijn.''

Omdat wol makkelijk is te selecteren, wordt dit al gerecycled. De sorteerbedrijven verkopen het aan de wolindustrie en inmiddels bestaat tien tot vijftien procent van een wollen trui uit gerecycled wol. Ook de tapijtindustrie maakt vorderingen. Wijpkema: ,,In Amerika hebben DSM en Allied Signal net een grote fabriek gebouwd dat Amerikaans tapijt afbreekt om de grondstof weer opnieuw in te zetten. Van de nieuwe garens, infinety geheten, is een kwart gerecycled materiaal en daar zie je niks van.'' Het Centrum voor Kledingtechnologie in Amsterdam verwacht dat het technisch mogelijk is de vezels zo zuiver te krijgen dat er weer mee gesponnen en geweven kan worden.

Wijpkema houdt het wat gebruikte kleren betreft voorlopig bij een toepassing in nonwovens. Nieuwe markten ziet hij in onder meer textielmatten voor fundering, voor dijkverzwaring en in isolatiemateriaal voor in auto's: ,,wat verwerkingstechnologie betreft lopen we hopeloos achter bij de papier- en glasindustrie. Daar wordt al 60 tot 70 procent teruggewonnen. Maar die technologie is misschien ook wel eenvoudiger. Spin- en weefmachines zijn erg gevoelig voor vervuiling van de grondstof.'' Brak, wiens bedrijf al sinds 1923 gebruikt textiel verhandelt ,is niet zo optimistisch over verwerking tot grondstof: ,,Tot 1975 verkochten wij wolvezels voor nonwoven-matjes in auto's. Maar toen in een nonwoven een keer vezels van een hondendeken terechtkwamen waardoor een matje naar honden rook, was het afgelopen. De autofabrikanten wilden alleen nog matjes van textielafval uit de industrie.''

De overheid wil ook minder afval in de kledingindustrie. Ook hierin is een enkel initiatief genomen. Via het programma Ecologie Economie en Technologie (EET) subsidieert de overheid het project `Maken op Maat'. Mensen laten in de winkel met een twee- of driedimensionale scanner hun maat meten en kiezen een bedrukking voor een stof uit. Een nieuw type machine maakt de kleding zo dat de stof alleen bedrukt hoeft te worden binnen de kniplijnen. Dat spaart verf en de overgebleven, witte stofresten kunnen makkelijker worden hergebruikt. Derde voordeel is dat de kleding mensen beter past, zodat ze haar langer dragen. De kledingindustrie heeft inmiddels een proef op kleine schaal lopen.

Al met al lijkt het dus op lange termijn wel mogelijk om vijf, en misschien wel zeven kilo textiel per Nederlander te hergebruiken en recyclen. Maar wat zou in die tussentijd met de textielberg moeten gebeuren, als de burgers inderdaad per 1 januari massaal de oude lakens, gordijnen en kleren zouden wegbrengen? Het ingezamelde textiel komt nu nog grotendeels terecht bij de commerciële kledingexporteurs. Zij krijgen extra werk met sorteren en, zolang er nog weinig mogelijkheden voor verwerking zijn, extra lasten om het afval te verbranden. Subsidie aan de sorteerders is een mogelijkheid maar Brak is hier niet zo enthousiast over. ,,We hebben nu een vrije sector en met subsidies moet je aan allerlei voorwaarden voldoen.'' De burger zelf laten voorsorteren – tussen te verhandelen textiel en textiel om te verwerken – vindt hij echter ook niet zo'n goed idee. ,,Sorteren is niet zo makkelijk. In onze bedrijfstak zie je vaak dat de baas voortdurend meekijkt.''