Belastingstelsels onder druk

De toenemende verwevenheid van hun economieën dwingt lidstaten van de Europese Unie tot kritisch onderzoek van het eigen belastingstelsel. Regelmatig tonen politici en topambtenaren zich bezorgd dat de zware lastendruk op de productiefactor arbeid bijdraagt aan de werkloosheid, die in euroland – ondanks de nu aantrekkende bedrijvigheid – nog altijd meer dan tien procent van de beroepsbevolking treft. Verder zijn beleidsmakers beducht dat een te hoge belastingdruk op ondernemingswinsten ten koste gaat van het investeringspeil in eigen land en er toe leidt dat nieuwe bedrijfsvestigingen in buurlanden terecht komen. Voor de burgers tenslotte wordt het steeds eenvoudiger hun spaargeld en waardepapieren bij een buitenlandse vermogensbeheerder onder te brengen. Om deze vorm van belastingvlucht te keren, hebben lidstaten recent hun toptarief van de inkomstenbelasting verlaagd (Spanje) of zij zijn van plan dat de komende jaren te doen (Duitsland, Nederland). In andere landen is dat iets minder urgent, omdat voor inkomsten in de vorm van rente en dividend al lage, proportionele tarieven gelden (België, Italië en de Scandinavische landen).

Niet alleen de in de wet opgenomen nominale belastingtarieven zijn echter van belang. Hoge nominale tarieven hoeven niet te bijten, wanneer de wetgeving wemelt van de bepalingen die het belastingplichtigen mogelijk maken de heffingsgrondslag uit te hollen. De heffingsgrondslag is dat deel van de winst of het inkomen dat daadwerkelijk aan belastingheffing is onderworpen. Nationale wetgevers kunnen de grondslag uithollen door vrijstellingen, bijvoorbeeld voor het door aandeelhouders ontvangen dividend, door genereuze aftrekposten (betaalde rente, snelle afschrijving van machines) en speciale fiscale faciliteiten voor nieuwe investeringen. Het eindresultaat kan zijn dat de effectieve belastingdruk voor het bedrijfsleven in een land met hoge nominale tarieven en een ernstig geërodeerde heffingsgrondslag gemiddeld lager is dan de feitelijke belastingdruk in een land met lage nominale tarieven maar een veel bredere heffingsgrondslag, die niet is aangetast door allerlei speciale voorzieningen.

De afgelopen tien jaar ging de Europese Commissie steeds scherper letten op door overheden verleende directe steun aan bedrijven, die in beginsel verboden is omdat hij de concurrentieverhoudingen vervalst. Lidstaten probeerden het verbod op directe steun te omzeilen door tal van fiscale faciliteiten in het leven te roepen. Sommige golden voor elk bedrijf, andere alleen voor bepaalde regio's, door de overheid aangewezen bedrijfstakken of activiteiten, zoals onderzoek en ontwikkeling. Ons belastingstelsel is altijd mild geweest, vooral voor ondernemingen die internationaal werken. Zo zijn vanuit het buitenland ontvangen winsten hier onbelast dank zij de `deelnemingsvrijstelling'. De afgelopen jaren heeft de vaderlandse wetgever nog een aantal nieuwe gunstige regelingen in het leven geroepen, onder andere voor concernfinanciering, de zeevaart en de filmindustrie.

Inmiddels is de Commissie doende met een onderzoek naar schadelijk te achten vormen van belastingconcurrentie tussen de lidstaten. Dit is onderdeel van de portefeuille van de verse Nederlandse commissaris Bolkesteijn. Een hele reeks landen staat bij dit onderzoek in de beklaagdenbank, waaronder Nederland. De dagen van bepaalde fiscale faciliteiten zijn waarschijnlijk geteld. Bovendien probeert de Commissie de lidstaten te bewegen om afspraken te maken die beogen rente (van kleine en middelgrote spaarders) effectiever te belasten. Zolang Luxemburg dwarsligt, en spaarders gemakkelijk kunnen uitwijken naar Zwitserland – dat zich niets van gemaakte afspraken hoeft aan te trekken – wordt de soep uit dit bord waarschijnlijk lauw gegeten.

Dit ligt anders bij het onderzoek naar ongeoorloofde fiscale steunmaatregelen dat naar verluidt gestaag vordert. Staatssecretaris Vermeend heeft bij sommige andere lidstaten grote irritatie gewekt door twee gerenommeerde belastingadviesbureaus opdracht te geven overzichten op te stellen van wat in andere landen fiscaal mogelijk is. Bovendien maakten beide bureaus theoretische berekeningen over de belastingdruk in diverse lidstaten. Nederland kwam daar zeker niet als een belastingparadijs uit naar voren. Dit resultaat hoeft evenwel niemand te overtuigen, omdat de opgestelde theoretische drukberekeningen deels dezelfde beperkingen kennen als de veel gekritiseerde koopkrachtplaatjes voor werknemers en mensen met een uitkering.

Vermeend liet de Universiteit van Maastricht daarom aanvullend onderzoek doen naar de werkelijke gemiddelde belastingdruk voor het bedrijfsleven in de lidstaten. Dit wees uit dat in de jaren 1990-1996 industriële bedrijven in euroland effectief gemiddeld 27 procent van hun winst aan de fiscus betaalden. Nederland kwam uit de bus met een werkelijke druk van 32 procent. Ook deze uitkomst hoeft derde landen niet dadelijk te overtuigen. Ten eerste zijn voor dit onderzoek gegevens uit publieke jaarverslagen gebruikt, wat tot vertekeningen kan leiden omdat accountants de winst volgens uiteenlopende nationale voorschriften bepalen. Belangrijker is het bezwaar dat de gebruikte steekproef alleen industriële ondernemingen omvat, en geen ondernemingen uit de zeker in ons land veel belangrijker sector dienstverlening – zoals banken en verzekeraars – die in verhouding minder belasting betalen.

Het debat is dus nog gaande. Inmiddels gaan eurolanden door met de strijd om de gunst van ondernemingen en investeerders. Denemarken aapt ons gunstige regiem voor houdstermaatschappijen na, Ierland gooit het tarief van de winstbelasting de komende jaren omlaag tot 12,5 procent. Weet Brussel dit proces niet te stoppen, dan is het einde zoek.