Wat een lol op straat

Hoewel in jeugdherinneringen veel groot en klein leed bewaard is, zijn er ook veel mensen die met onversneden spijt terugkijken: zo mooi wordt het nooit meer. ,,Gelooft u een man van droevige ervaring: Op je dertigste heb je het beste gehad. Het is eigenlijk niet leuk om jeugdherinneringen te schrijven.'' En dat terwijl de omstandigheden waarin Piet Bakker (1898-1960) opgroeide nou niet riant waren. Een sober en armoedig bestaan hadden velen, maar om redenen die hij niet vermeldt had vader Bakker een redelijke baan verloren en moest hij als los arbeider proberen het hoofd boven water te houden. ,,In mij schrijnde toch ook wel iets van het mistroostige besef, dat wij maatschappelijk afgezakt waren. In die nette Rotterdamsche arbeidersstraat was mijn vader zoo'n klein notabeltje met een hoed op geweest en nu waren wij omlaag gezeuld tot `menschen van goeie komaf'. Van sunlight- tot groene zeep. De `komop' tot Boldoot is een moeizame gang, mijne vrienden.'' Dat laatste verwijst naar de verhuizing van een woning met een moderne wc naar een etage in de Amsterdamse Pijp waar nog tonnetjes in gebruik waren. Die werden dagelijks opgehaald met de `Boldootkar' zoals dat ironisch werd aangeduid.

De teruggang in levensstandaard was ingrijpend. ,,Wie van ƒ24,- tot ƒ10,20 teruggeschroefd wordt, staat voor een ruïne.'' Daar kon je niet veel van doen.

,,Wij verwoonden twee gulden en vijf en twintig centen per week. Dat is niet veel in absoluten zin. Maar omgerekend in percentages is het toch een lief bedrag, nl. 22,5 pct. van ons inkomen.'' Als jongen voelde je het nog niet zo. ,,Later ben ik mij bewust geworden, hoezeer mijn moeder in dien tijd moet hebben geleden. Ik zie weer haar nagelvlakken, die tot op de helft blauw-zwart waren. Haar handen waren geschonden in het heete waschwater van vreemden.''

Piet Bakkers jeugdherinneringen zijn een monument voor haar. ,,In eerbied buig ik mij voor de nagedachtenis van moeder.'' Zij sleepte het gezin er door. ,,Zij wist mij te vrijwaren van de vernedering van schoolvoeding en klompen, mij steeds nog net op te beuren boven het verterende moeras der proletarische armoede. O, ik bid u – noem het geen kleinburgerlijk fatsoen, dien verbeten wil om de kinderen `knap voor den dag' te laten komen! Als eenmaal de kousegaten boven den schoen niet gestopt worden, dan verzink je in den poel, waaruit nauwelijks redding mogelijk is.''

Het waren symbolische, maar o zo belangrijke kleinigheden die het verschil uitmaakten. ,,Ik droeg `halfsleetsche' schoenen; dat waren afleggertjes van God-weet-wie, die moeder voor twee kwartjes voor me kocht op het buurtmarktje van de Albert Cuyp. (...) Ik droeg een stukje beschaving aan m'n voeten en niet de klepperende kenmerken van het gebrek.''

In het gezin was de tegenslag met een laconieke flinkheid opgevangen, de sfeer was niet triest, maar het geluk vond Piet Bakker op straat. ,,`De straat' is de beste oefenschool voor het lang niet malsche leven, dat den meesten van ons te wachten staat'', verklaart hij bijna plechtig, voordat hij begint aan een indrukwekkende opsomming van wat er allemaal te beleven viel en wat je zoal vooral als het verboden was heerlijk kon doen. ,,Neen, ik heb geen spijt van mijn straatjongensschap.'' De herinnering aan al het kattenkwaad dat de dagen vulde deed Bakker weer genieten. ,,Grote goden – wat heb ik een lol gehad als jongen!''

Wanneer men zich tegenwoordig wel eens zorgen maakt om zinloos geweld onder jongeren, moet men bedenken dat vechten in zoveel autobiografieën voorkomt dat het een standaardervaring moet zijn geweest. In de stad ging het meestal tussen rijke en arme scholen. Een kleine eeuw geleden waren die nog in drie standen verdeeld, Bakker zat zelf op de `luizen-school'. ,,Wij noemden alles, dat niet op onze school ging, kortweg `kale neten'. Wij liepen de jongens achterop en sarden: `Pa en ma loopen elkaar van den honger achterna'. Of: `Ma, wat eten we vandaag? 't Zelfde als gisteren, kind. O jé, alwéér niets!' Dezen hoon lieten de kale neten natuurlijk niet op zich zitten en al spoedig zat de kat in de gordijnen. School vocht tegen school, luizen versus kale neten. Dit was de eerste vorm, waarin ik den klassenstrijd bedreef.''

Het is waar dat er indertijd zelden doden bij vielen (hoewel: bij kermissen ging het regelmatig mis) maar het waren geen `gewone jongensruzietjes'. ,,Nee, het waren knokpartijen van je welste. Bebloede koppen, blauwe oogen, tanden door de lip, aan rafels getrokken kleeren en verbrijzelde spiegelruiten waren er het gevolg van.'' Bakker relativeert dit ook weer, de jongens in zijn tijd wisten ook wanneer ze moesten stoppen. ,,Het zonderlinge was echter, dat het gevecht onmiddellijk gestaakt werd, zoodra er echt bloed vloeide.''

Bij al dat wangedrag hoorde natuurlijk flinke vergelding wanneer je gesnapt werd. Als je door het ijs gezakt was bij `schotsietippelen' en `ijsiepiepen' was dat niet te verbergen. ,,Moeder stopte mij in bed met kwast en poeier, en geweeklaag. Vader haalde mij er een paar uur later uit en sloeg mij beurs. (...) Vader voedde mij op over zijn knie. Gut, wat was ik toen warm! Zonder eten naar bed. Dús kwam moeder toen vader sliep, mij m'n portie pannekoeken en nog een nachtzoen brengen.''

Bakker droeg het zijn vader (en de andere opvoeders die korte metten maakten) niet na. ,,Ik heb eens een pak slaag gehad voor iets, dat ik echt en waarachtig niet gedaan had. Volgens het boekje moet ik daar een ongestild wraakgevoel en een bitter hart van hebben overgehouden. Ach ga toch weg! Ik heb zoo vaak géén ros gehad voor iets, dat ik wel wis en bliksems gedaan had, dat ik het waarlijk nog niet zoo kwaad geboerd heb.'' Hij lijkt zelfs trots te zijn nog eens een pak slaag van meester Euwe (de vader van de wereldkampioen schaken) te hebben gehad. Ook politieagenten wisten hoe en wanneer ze doeltreffend die rotjongens tot de orde moesten roepen.

Wat was geworden van al die vriendjes met wie hij zo'n lol had gehad? ,,Multatuli heeft eens in een mismoedig moment gevraagd: `Waar zijn toch al die aardige kinderen gebleven?' Ik vraag mij in wrevelige verbazing af: `Wat is er toch geworden van al die pientere Pijpjongens?' Welk gebruik heeft de gemeenschap van dit kostelijke materiaal gemaakt...?''

Bakker kwam ze niet meer tegen, maar had toch zelf, toen een goede onderwijzer ontdekte dat hij goed kon leren, afstand van zijn straatleven genomen. ,,Laat ie onderwijzer worden net als Giel (...) En m'n vader krauwde zich in zijn baard en zei: `Da's nog niet eens zoo gek. Voor echt werken is ie toch te beroerd.' `Ja', vond moeder ook. Naar mijn mening werd niet gevraagd. Trouwens die had ik toch niet durven uiten. Want die luidde: Tja – schoolmeester, dat lijkt me wel wat... Twee middagen vrij; veel vacantie en om negen uur pas beginnen. Dat moest ik eigenlijk maar doen.' ''

Later werd Piet Bakker een succesvol journalist en schrijver. Ciske de Rat was ook een monumentje voor zijn oude makkers.

Jeugd in de Pijp. Vrijmoedige herinneringen van Piet Bakker. (Amsterdam/Brussel, Elsevier 1946)