Presidentskandidaat mag nimmer sjoemelen

De Republikein George W. Bush is vastbesloten de nieuwe president van de Verenigde Staten te worden. Een leugentje om bestwil op zijn tijd gaat hij daarbij niet uit de weg. Josef Joffe meent dat Bush ook in politiek opzicht lijkt op de huidige Amerikaanse president.

Wat heeft George gemeen met Bill, Tony en Gerd? Natuurlijk niet de voorliefde die hij in zijn jongere jaren had voor wit poeder, een voorliefde die George W. Bush dezer dagen zo min wil bevestigen als ontkennen. Ook behoort Amerika's president in spe nog niet, zoals Clinton, Blair en Schröder, tot de gezalfden. Maar op de weg naar de nominatie bewandelt Bush junior precies het pad dat de drie regerenden voor hem hebben platgetreden – Clinton al sinds 1992. Het is de weg van de homo politicus postmodernus, die evenzeer zijn stempel gaat drukken op het begin van het volgende millennium als hij al gedaan heeft op het laatste decennium van de 20ste eeuw.

George Double-U, zoals ze hem in Amerika noemen om hem van zijn vader George, de oud-president (1989-1993), te onderscheiden, perfectioneert tot systeem wat zijn drie geestverwanten nog tastenderwijs hebben moeten ontdekken. Het systeem heet `anything goes', en het hoort niet minder bij onze tijd dan Internet, seks op tv en e-commerce. Want het is afgelopen met de grote ideologische oorlog die, telkens in een andere vermomming, heel de 20ste eeuw de politiek heeft beheerst. En nu de klassieke indeling in links en rechts niets meer oplevert, deugt ook de klassieke verkiezingsstrategie niet meer, die doorgaans aan een eenvoudig stramien beantwoordde. Of je nu rood was of zwart, als je maar tot net voorbij het midden wist te kruipen, kon je een winnende coalitie ineenflansen.

Tegenwoordig gaat dat allemaal anders, en broeder Bill heeft laten zien hoe. Omdat de traditionele kampen niet meer bestaan, moet de overwinnaar beide helften van het spectrum bezetten, links zowel als rechts. In marketingtermen: hij moet het kiezersvolk kaviaar én kattenbakvulling bieden, de Nationale Opera én de Spice Girls, Toscane én Mallorca. Broeder Bill heeft de kiezers meer blauw op straat beloofd maar ook meer leraren, minder belastingen maar meer hulp van de overheid. Blair heeft de `Derde Weg' gepredikt: het kapitalisme blijft, maar de verzorgingsstaat komt. Schröder is te werk gegaan volgens het Udo-Jürgens-principe Aber bitte mit Sahne (`Maar met slagroom alsjeblieft'): de onbetaalbare welvaartsstaat moet worden verbouwd en verkleind, maar ,,wel rechtvaardig zijn'' – wat betekent dat er in de praktijk niets mag veranderen.

Wie nu naar frontrunner George W. luistert, wiens verkiezingskas met 30 miljoen dollar min of meer uit zijn voegen barst, ziet de meester aan het werk. De man is weliswaar Republikein, maar zijn leus is: compassionate conservatism – zeg maar: conservatief en toch hartelijk. In de volgende eeuw moet ,,iedereen rijk zijn, maar mag niemand de boot missen''. Wij moeten de armen bijstaan zonder de rijken iets af te pakken. De gouverneur die meer doodvonnissen heeft ondertekend dan wie ook van zijn 49 collega's, wenst in het justitiebedrijf minder wraakzucht te zien en meer resocialisatie via het geloof. In plaats van abortus te verbieden, pleit hij voor onthouding en adoptie. Uitkeringen zijn prima, maar wel graag gekoppeld aan prikkels om weer aan het werk te gaan.

Hoe dat alles met elkaar te rijmen valt? De woordvoerster van de oppositie in Texas heeft het nauwkeurig onder woorden gebracht: ,,Je zou in het programma van Bush overal `Clinton' kunnen invullen zonder dat iemand het merkt.'' Hoe goed het wel niet werkt, heeft Bush zelf spottend aangegeven: ,,Nadat ik een persconferentie over de droogte had gegeven, begon het de volgende dag te regenen. Nu vraagt mijn moeder mij zelfs om tips voor de lotto.'' Een van Bush' adviseurs heeft het een paar maanden geleden zó uitgedrukt: ,,Hoewel hij niets doet, stijgt hij iedere week in de opiniepeilingen.''

De postmoderne politicus – van alles wat en voor elk wat wils – lijkt dus overal op het zegepad, juist in Amerika, waar de meerderheid kennelijk een tweede Clinton wenst, maar dan liefst zonder zonden. Een enquête meet dan ook een reusachtige voorsprong op het thema `herstel van morele waarden': de Republikeinen liggen daar 41 (!) procentpunten voor op de Democraten.

Maar de Amerikaanse politiek heeft één eigenaardigheid: ze is helaas niet volstrekt vrij van verrassingen. En daarom vecht Bush sinds vorige week tegen de enige draak die in de postmoderne politiek nog vuur spuwt: de morele betrouwbaarheid. Heeft hij nu cocaïne gebruikt of niet? Helaas blijkt Bush ook in dit opzicht uit hetzelfde hout gesneden als Clinton. Eerst zegt hij geen ja en geen nee, dan ontkent hij de afgelopen zeven jaar cocaïne te hebben gebruikt, en dan – omdat hij anders nog niet eens hoofdambtenaar zou mogen worden – in de afgelopen kwart eeuw.

Is dat nu weer allemaal Amerikaanse hysterie? Niet als iemand bij ieder optreden in het openbaar galmt: ,,Ik wil de waardigheid en de eer van het presidentsambt herstellen.'' En juist omdat de postmoderne kiezer de ideologische bigamie inmiddels als pekelzonde door de vingers ziet, wil hij in het hoogste ambt liefst een enigszins eerlijke figuur zien. Niet de misstap stoort, maar het onvermogen om de waarheid te spreken. Hoe kan hij dan een gladjanus vertrouwen die een tijdlang met de hoogste staatsmacht moet worden bekleed? Laten wij daarom de komende maanden de naam Bill Bradley in de gaten houden. Die wil zijn partijmakker Al Gore – vice-president onder Clinton – de nominatie van de Democraten ontfutselen. Bradley mag dan saai zijn, en te links, hij heeft een geweldig strategisch pluspunt: een smetteloos verleden.

Josef Joffe is commentator van de Süddeutsche Zeitung.

© Süddeutsche Zeitung