Pot met geld voor werklozen blijft overvol

Tien miljard gulden is dit jaar beschikbaar om vooral langdurig werklozen naar de arbeidsmarkt te begeleiden. Terwijl dit bedrag elk jaar stijgt, blijft de werkloosheid dalen. Wie komt nog voor begeleiding in aanmerking?

Een duwtje in de rug van 30.000 gulden. Dat is het geld dat beschikbaar is voor iedere werkloze die in de computerbestanden van Arbeidsvoorziening is opgeslagen. Geld dat is bedoeld om werklozen terug te voeren naar de arbeidsmarkt: via loonsubsidie, stageplaatsen of extra opleidingen. Tien miljard gulden kan er voor deze `reïntegratietrajecten' worden uitgegeven. Daarmee is de reïntegratiemarkt een aantrekkelijk doelwit geworden voor allerlei commerciële partijen, die vanaf 2001 deze taak mogen overnemen van sociale diensten en arbeidsbureaus.

Met het budget voor werklozenbegeleiding is op het eerste gezicht iets vreemds aan de hand. Want terwijl dit budget tussen 1985 en 1999 bijna is verdrievoudigd (van 3,8 miljard naar 10,5 miljard gulden), is de doelgroep – de werklozen – flink geslonken. Op dit moment omvat die groep 365.000 mensen, zo blijkt uit een notitie die de bewindslieden van het ministerie van Sociale Zaken gisteren naar de Tweede Kamer hebben gestuurd. In 1985 was de werkloosheid (gerelateerd aan de beroepsbevolking) twee keer zo hoog.

Volgens het ministerie valt de forse budgetstijging deels te verklaren uit een verandering van het beleid ten aanzien van werklozen. Lag in de jaren tachtig het accent op het zo accuraat mogelijk verstrekken van uitkeringen, nu ligt de nadruk op het weer aan het werk helpen van deze groep uitkeringsgerechtigden. Van de tien miljard gulden is een deel afkomstig van de Europese Unie en van gemeenten.

Tien miljard gulden, dat is een investering van gemiddeld 30.000 gulden per persoon. Is het sop de kool wel waard, zo vragen ook de bewindslieden van Sociale Zaken zichzelf af. Wat minister De Vries betreft is het resultaat van die afweging altijd positief. In zijn ogen mag geen enkele Nederlander als `kansloos' worden aangemerkt.

Dat neemt niet weg dat ook hij geen antwoord heeft op de vraag wat de reïntegratiepogingen in het verleden hebben opgeleverd. In de notitie die De Vries samen met zijn staatssecretaris Hoogervorst naar de Kamer heeft gestuurd wordt bladzijde na bladzijde geklaagd over het gebrek aan cijfermatige onderbouwing van het begeleidingsbeleid. Onbekend is hoe het `cliëntenbestand' waarover de tien miljard moet worden verdeeld er precies uitziet. Daardoor kunnen de bewindslieden weinig zinnigs melden over het bereik van de reïntegratiemiddelen.

De stelling van politici als het VVD-Kamerlid Wilders is dat veel van deze middelen onbenut blijven. De verklaring van bijvoorbeeld werkgevers voor deze `onderuitputting' is dat de regels omtrent reïntegratie onwaarschijnlijk ingewikkeld zijn. De potjes waaruit geput kan worden zijn talrijk, maar de voorwaarden ook. Het ontbreekt ondernemers aan de lust en de tijd om zich daarin te verdiepen, zeker als de beloning een werknemer is die niet altijd direct inzetbaar is of meer aandacht vergt dan een duurdere kracht die morgen kan beginnen.

Over de preferenties van werkgevers bestaat sowieso veel onduidelijkheid: hoeveel geld moet een herintredende arbeidsgehandicapte of langdurig werkloze meenemen om een kosten-batenplaatjes makende ondernemer te verleiden hem of haar in vaste dienst te nemen? Het antwoord hangt af van de kwaliteiten van de aspirant-werknemer. Om daar een inschatting van te maken geeft de notitie van De Vries en Hoogervorst wel enige handvatten in de vorm van een groot aantal cijfers over de karakteristieken van de mensen die zich in- en uitschrijven bij het arbeidsbureau.

In 1998 schreven 610.000 werkzoekenden zich bij Arbeidsvoorziening in. De grootste groep, 365.000 mensen, vond snel (weer) een baan zonder enige hulp. De rest deed een beroep op begeleiding of bleef werkloos. Eind vorig jaar stonden al met al 660.000 niet-werkenden ingeschreven, van wie 337.000 langer dan een jaar. Ruim een kwart is langer dan vijf jaar ingeschreven. Bijna de helft zit in de zogenoemde fase 4, hetgeen staat voor moeilijk bemiddelbaar. ,,Veelal vormen (een combinatie van) problemen van maatschappelijke, financiële of persoonlijke aard een belemmering voor werkaanvaarding'', is de duiding van fase-4 `cliënten' in de notitie van Sociale Zaken. Het betreft vaak laag opgeleide mensen tussen de veertig en vijftig jaar die, gezien de verhouding in de beroepsbevolking, relatief vaak van allochtone afkomst zijn.

Deze harde kern werklozen, die hooguit even de wind hebben gevoeld van de economische groei die hen als een sneltrein is gepasseerd, is de primaire doelgroep van de inspanningen die De Vries en Hoogervorst zich willen getroosten. Tegelijk zijn het de minst interessante kandidaten voor ondernemers. Ze moeten een buidel met tienduizenden guldens meenemen, wil een werkgever ze ook maar zien staan.

De vakcentrale FNV wil werkgevers via een wet dwingen een bepaald percentage van het personeelsbestand uit moeilijk plaatsbare werkzoekenden te laten bestaan. Over dergelijke maatregelen wordt in de notitie van Sociale Zaken met geen woord gerept. Onder het kopje `beleidsconclusies' worden niet de te nemen maatregelen opgesomd, maar wordt vooral een blik gegund in de leemten die thans nog bestaan in de reïntegratiepraktijk. Geld is er genoeg. Maar onduidelijk is wat De Vries en Hoogervorst gaan doen om te zorgen dat die tien miljard niet in die pot blijft.

    • Robert Giebels