Paars ondermijnt politieke cultuur

Een parlementair debat over de ministeriële verantwoordelijkheid is nooit weg. Maar voldoende is zo'n debat allerminst, vindt H.E.S. Woldring.

Topambtenaren van ministeries wagen het tegenwoordig in het openbaar ministers tegen te spreken en hun persoonlijke inzichten publiek te maken. Volgens prof. Cliteur (NRC Handelsblad, 7 augustus) brengen zij de parlementaire democratie in gevaar en met name het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid. Zijn betoog verdient ondersteuning en aanvulling.

Mogen ambtenaren hun persoonlijke ideeën over het beleid van een minister publiek maken? Cliteur is duidelijk: nee, dat mag niet. Zijn argument is, dat we in de afgelopen 150 jaar hebben geleerd dat het functioneren van een democratie mede mogelijk is geworden door de invoering van het beginsel van de ministeriële verantwoordelijkheid. De minister is verantwoordelijk voor zijn eigen optreden, voor dat van het staatshoofd en voor de aan hem ondergeschikte ambtenaren. De minister legt verantwoording af aan het parlement. Op die manier hebben we de macht van de koning en van ambtenaren democratisch aan banden gelegd.

De secretaris-generaal van het ministerie van Economische zaken, S. van Wijnbergen, kan wel zeggen dat hij geen `boodschapper' van de minister is, maar hij moet beseffen dat hij ondergeschikt is aan de minister en dienstbaar aan het ministerieel beleid. In het openbaar moet hij kritiek op het beleid voor zich houden. De opvatting dat in een volwassen democratie ook ambtenaren hun meningen naar buiten moeten kunnen brengen, is juist ondermijnend voor het functioneren van de democratie. Het recht van vrijheid van meningsuiting van ambtenaren vindt zijn grens in de bijzondere positie die zij innemen in dienst van de overheid die (ook voor het werk van ambtenaren) verantwoording aflegt aan het parlement. Als loyale werknemers behoren ambtenaren besef te hebben van wat Max Weber noemde hun `morele zelfdiscipline en zelfverloochening'.

Terecht pleit Cliteur voor het opnieuw bestuderen van Max Webers theorieën over bureaucratie en vooral over de ondergeschiktheid van de bureaucratie aan bewindvoerders. Weber heeft echter onderkend dat de hiërarchische en doel-rationele organisatiestructuur van een bureaucratie het gevaar van starheid en `bedrijfsblindheid' met zich brengt. Zo'n organisatie heeft behoefte aan nieuwe ideeën. Volgens Weber is het van groot belang dat die doel-rationele organisatie wordt bezield met visionaire ideeën. Ministers worden geacht zulke ideeën te hebben op grond van hun politieke visie. Zij stimuleren ambtenaren die ideeën verder te ontwikkelen, maar zij dragen er de politieke verantwoordelijkheid voor. Als ministers die verantwoordelijkheid ontlopen, is het dan een wonder dat topambtenaren hun mond open doen? Zeker, de politieke cultuur wordt erdoor verpest. Dit is echter niet slechts aan ambtenaren te wijten, maar ook aan ministers.

Een politieke cultuur heeft niet alleen te maken met de organisatie van een politiek bestel, bijvoorbeeld de manier waarop het kiesrecht is geregeld, maar ook met waarden en normen die in een politiek bestel behoren te gelden, zoals het serieus nemen van de ministeriële verantwoordelijkheid. Kiezers mogen verwachten dat ministers hun politieke verantwoordelijkheid ten volle dragen. Wat dit betreft heeft de politieke cultuur in ons land een moreel dieptepunt bereikt.

Vier secretarissen-generaal hebben zich onlangs publiekelijk beklaagd over ministers die in de Tweede Kamer verantwoording moesten afleggen over hun beleid en die zich verontschuldigden voor begane fouten. Die fouten schreven de ministers toe aan ambtenaren. De paarse fracties hielden de ministers de hand boven het hoofd. Ambtenaren kregen de zwarte piet toegespeeld over de cijfers van Schiphol, fouten in het Srebrenica-onderzoek, nalatigheid in het aanmelden van Nederlandse wetten bij de EU, de Bijlmerenquête en het dioxineschandaal. Is het een wonder dat ambtenaren zich laten horen?

Vorig jaar heeft de secretaris-generaal van Algemene Zaken, Geelhoed, een vertrouwelijke notitie geschreven met bepaalde ideeën over de ministeriële verantwoordelijkheid. Premier Kok lijkt voor dit onderwerp weinig belangstelling te hebben, maar verscheidene fracties in de Tweede Kamer dagen hem uit tot een parlementair debat. Terecht. Maar wat hebben we aan een debat over de ministeriële verantwoordelijkheid in een politieke cultuur waarin het ernstig tekortschieten van ministers en staatssecretarissen wordt gerelativeerd of met een excuus wordt afgedaan? Onder paars is de ministeriële verantwoordelijkheid ernstig ondermijnd. En dat kan men niet slechts ambtenaren verwijten.

Dr. H.E.S. Woldring is hoogleraar politieke filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en lid van de Eerste Kamer voor het CDA.

    • H.E.S. Woldring