Jack Lemmon

In een reeks profielen van gezichtsbepalende sterren deze week Jack Lemmon, de man die altijd pret heeft met z'n tweeën en sombert in z'n eentje. In The Odd Couple 2 doet hij een beetje van allebei.

Een flinke handvol films maakten ze samen, Jack Lemmon en Walter Matthau, komische films, en de beste waren van Billy Wilder. Beroemd werden ze samen in een genre dat waarschijnlijk voor hen is uitgevonden: de vrijgezellenkomedie. Twee alleenstaande heren worden huisgenoten (The Odd Couple, 1968), buren (Grumpy Old Men, 1994 en Grumpier Old Men, 1995) of moeten samen op reis (de nu uitgebrachte plankligger The Odd Couple II: Travelling Light). De een moppert (meestal Lemmon), de andere houdt wel van een geintje (Matthau) en na een flink staaltje male bonding zijn ze aan het einde van de film vrienden voor het leven. Pret maken doet Lemmon in zijn films sowieso liever met z'n tweeën, waarbij hij bij voorkeur als aangever fungeert. Z'n solo-hoofdrollen hebben meestal een contemplatievere toon.

John Uhler Lemmon (Boston, 8 februari 1925) wordt wel omschreven als een acteur in twee smaken: zoet en bitter. De ruim zestig films die hij maakte, zouden keurig in twee kolommen zijn te verdelen: de sentimentele (Some Like It Hot, 1959) en de cynische (Glengarry Glenn Ross, 1992). Maar als hij romantisch is, wordt zijn blik altijd verduisterd door een treurige frons (The apartment, 1960) en als hij een serieuze rol speelt, schittert in zijn ogen een verre glans (The China Syndrome, 1980). Lemmon is dus beter een karakteracteur te noemen, wiens smaakmaker bitterzoet is, maar dan wel in verschillende gradaties.

En ernstig is hij. Acteurs verdienen te veel geld, steeds maar mensen aan het lachen maken, vindt hij eigenlijk het ergste wat er is, hij snapt eigenlijk niet zoveel van zijn vak, maar hij heeft ook die geheimzinnige gedrevenheid die hem steeds weer op zoek doet gaan naar nieuwe uitdagingen. Niet zijn hele leven een `grumpy old man' spelen omdat het publiek dat wil, maar ook bijrollen aannemen bij regisseurs van wie hij nog wat op kan steken: Oliver Stone (JFK, 1991) of Robert Altman (The Player, 1992; Short Cuts, 1993).

Hij zal niet zoals Tony Curtis, naast wie hij onvergetelijk was in Some Like It Hot, facelift na facelift z'n best doen om vrouwen te behagen van dezelfde leeftijd als de jonge meisjes uit 1960. In 1962 trouwde hij na een kort eerder huwelijk met collega Cynthia Stone met actrice Felicia Farr en daar bleef het bij. En op een langdurige alcoholverslaving (meesterlijk verwerkt in het semi-autobiografische Days of Wine and Roses, 1963) na bestaan de hoogtepunten van zijn leven uit zijn rollen en niet uit affaires en schandaaltjes.

Oscars, Gouden Palmen, een Life Time Achievement Award (in 1988) prijken allemaal in zijn prijzenkast, maar je ziet hem er al naar kijken, met dat inmiddels van ouderdom veel mooier geworden gezicht. Een beetje verbaasd om zoveel roem, nog helemaal de middle class-zoon van een donutkoning, onderwijl mompelend wat waarschijnlijk zijn meest beroemde zin is: `Now, what's al the fuzz about no movie tonight?'