De plaats van de politie

DE REGIO HEEFT geen echte vrienden, zegt men in bestuurlijke kring. Dat is ongemakkelijk voor de politie, want die is vijf jaar geleden nu juist gereorganiseerd op regionale leest. Tussen de nationale overheid en lokale overheden zit een hardnekkig gat. Er is van alles geprobeerd om het te vullen – een waar bestuurlijk kwartetspel – maar het nettoresultaat was dat het politiebestel werd ontworpen met een democratisch gat. De korpsen worden niet gecontroleerd door een direct gekozen orgaan. Zij moeten het doen met een vergadering van de betrokken burgemeesters terwijl de eerste burger van de centrumgemeente fungeert als korpsbeheerder.

In het geval van de politie is dat gat aanvaardbaar, luidde de officiële verklaring, want de regionale organisatie heeft alleen betrekking op het beheer over de politie: een overwegend praktische materie. Het gezag over de politie – de beslissing over de lastige vragen wat de politie moet doen en hoe – blijft in de vertrouwde handen van de plaatselijke burgemeester (ordehandhaving) en de officier van justitie (opsporing van strafbare feiten).

In het Juristenblad van maart vorig jaar prikte de ontwerper van de nieuwe Politiewet, professor Fasseur, deze mythe resoluut door: ,,Als het nieuwe politiebestel één ding leert dan is het dat zonder directe invloed op het beheer het gezag over de politie weinig voorstelt.'' Hij betitelde het democratische gat ronduit als ,,het grootste euvel'' van het nieuwe politiebestel. Zijn diagnose wordt ondersteund door de ervaring dat bestuurlijke gaten die worden opengelaten zich langs andere weg plegen te vullen.

DAT ZIEN WE nu dan ook gebeuren. Minister Peper (Binnenlandse Zaken) heeft op 1 juli een plan ingediend voor ,,een transparantere verantwoordelijkheidsverdeling op regionaal niveau en in de verhouding rijk-regio''. Vooral dat laatste, centralisatie dus. De korpsbeheerder wordt voortaan door het kabinet aangewezen. En de minister kan de korpsen aanwijzingen geven voor de uitvoering van landelijke beleidsthema's. Op het eerste oog lijkt het weinig controversieel. Aangezien de meeste vraagstukken omtrent onveiligheid zich in alle politieregio's voordoen, valt weinig spanning te verwachten tussen de beleidsthema's van de minister en de regionale prioriteiten.

De vraag is alleen welke meerwaarde de landelijke sturing dan voor het politiewerk heeft. Er zit ook wel degelijk een addertje onder het gras in de vorm van het integrale veiligheidsbeleid. Dat is nu al weer enkele jaren het parool in de politiezorg. De bedoeling is andere vormen van sociale controle te mobiliseren. Uit de aard der zaak zijn dat vaak lokale organisaties. Met andere aandachtspunten dan de minister. Integraal veiligheidsbeleid verschuift ook het accent van de burgemeester als traditioneel hoofd van de politie naar de wethouders in zijn college. De veiligheidsaspecten van jeugdzorg, verkeer en vervoer of het vergunningenbeleid kunnen in de verkiezingsstrijd en de collegevorming ruim aan bod komen. Maar de benoemde burgemeester staat daar buiten.

DE GEKOZEN burgemeester – een van de overblijvende brandpunten van het paarse regeerakkoord – lijkt een mooi alternatief. Maar dat roept zijn eigen vragen op. De huidige benoemde burgemeester heeft ruime bevoegdheden op het gebied van politieoptreden die zich niet zonder meer laten overplaatsen naar een politieke functionaris, met alle potentiële electorale bijeffecten van dien. Het gaat daarbij niet alleen om de directe ordehandhaving in verband met bijvoorbeeld omstreden demonstraties, maar ook om wellicht minder bekende maar daardoor voor de burgerlijke vrijheden niet minder relevante aangelegenheden als de opname van psychiatrische patiënten of het toezicht op lokale voorstellingen.

Er is nog een andere wilde kaart in het spel: de privatisering van de veiligheidszorg. Peper wil commerciële beveiligers meer inschakelen, al brengt dat zijn eigen risico's mee voor de manier waarop wordt omgesprongen met de rechten van individuele burgers. Particulier toezicht grijpt vaak heel direct in. De bewindsman heeft haast want hij heeft zijn politieke lot verbonden aan de toezegging dat Nederland veiliger wordt. Een harde randvoorwaarde is wel dat de politie de regie houdt over particuliere hulptroepen. Minder duidelijk is hoe Peper de kwaliteit van deze regie vanuit zijn Haagse beleidstoren denkt te regelen.

EN DE POLITIE zelf? Deze koestert in Nederland van oudsher een lokale inbedding. Die staat onder druk door de initiatieven van Peper maar ook door de toenemende zeggenschap van een steeds meer centraal aangestuurd openbaar ministerie over de aanpak van strafzaken. Aanleiding is de parlementaire enquête naar de bijzondere opsporingsmethodes, maar de implicaties reiken verder dan de zware misdaadbestrijding. In beide gevallen verschuift de blik naar Den Haag. Daar is in elk geval sprake van een democratische verantwoordingsplicht aan de Tweede Kamer. Maar wel zeer op afstand.