Creatieve durfal

Na het overlijden van Karel van het Reve betekent de dood van Marko Fondse, gisteren op 67-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden, binnen een half jaar een tweede gevoelig verlies, zowel voor de Nederlandse slavistiek als het algemene publiek. Beide grootheden hadden echter een totaal verschillende aard. Was Van het Reve een echte Hollander, exponent van het `doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg', bij Fondse lag het bijna omgekeerd. Fondse was exotisch.

Aanvankelijk maakte Fondse furore als prozavertaler. Grote groepen lezers werden dertig jaar geleden gegrepen door zijn barokke vertalingen van De meester en Margarita (Boelgakov) en De gebroeders Karamazov (Dostojevski). Fondse was een kind van zijn tijd, betoonde zich een bij uitstek creatief vertaler en stopte zoveel Fondse in zijn Boelgakov dat een recente herziening van zijn vertaling vooral een grote knip- en snoeioperatie werd. Fondse was dan ook meer een bevlogen vertolker dan een klinische vertaler.

Geen wonder. Marko Fondse was dichter (Het herderstasje) en zijn vertalershart lag veel meer bij poëzie dan bij proza. En niet bij gewone, klassieke poëzie van een Poesjkin of Lermontov, maar bij moderner, buitenissiger, veeleisender poëzie. Poëzie met een uitdaging. Zijn gedrevenheid heeft in de vorm van twee monumentale poëzie-uitgaven ruimschoots vrucht gedragen: de lijvige delen Werken van Majakovski en Tsvetajeva. Grillige, twintigste-eeuwse dichters die hem veel, zo niet alle ruimte lieten om zijn eigen uitvoeringen van hun gedichten te geven.

Een citaat uit zijn nawoord bij de genoemde Tsvetajeva-uitgave laat zien waar Fondses voorkeuren lagen, als lezer en als vertaler: ,,De taal van Tsvetajeva is buitengewoon gelaagd, een kenmerk dat zij met Majakovski deelt. [...] Archaïsmen in vocabulaire en syntaxis, ook zulke die al eeuwen in onbruik waren, komen voor naast moderne vulgarismen. Zij was er de dichter niet naar om zich haar taalgebruik te laten voorschrijven.''

Marko Fondse was op zijn beurt eigenzinnig genoeg om zijn eigen vertaalwetten te stellen, met behoud van eventueel metrum en rijm. Want ondanks zijn vormvastheid heeft hij, door zijn woordkeus, een geheel eigen geluid. Lezend in Tsvetajeva, waaraan ook drie andere vertalers gelijkelijk bijdragen leverden, volstaat vaak een enkel woord, een enkele wending of vondst om met zekerheid te kunnen zeggen dat het bij de bewuste vertaling om een `echte' Fondse gaat. Hij was kortom een vertaler met wie je hartstochtelijk van inschatting en opvatting kon verschillen, maar als zijn vertaalwerk iets ontbeerde, dan was het grauwheid en middelmatigheid. Daarin ligt zijn grote verdienste: zijn inspirerende durf.

Fondse was niet alleen dichter-vertaler, hij was ook medeoprichter en sindsdien redacteur van het al weer twintig jaar oude blad De Tweede Ronde, hét tijdschrift voor vertaalde poëzie. Hij schreef er ook zelf in, als de light verse-dichter Nelis Klokkenist.