Idool

Als alles logisch was verlopen, zou ik wellicht het meeste bezig moeten zijn geweest met de voetballer Johan Cruijff. Maar dat was toch niet het geval. De verklaring is dat ik met Cruijff pas te maken kreeg toen ik volwassen was. Maar mijn echte idool uit de kinderjaren was Bep Bakhuys, die officieel Egbert heette maar door niemand zo werd genoemd. Naar bekend was hij aanvalsleider van het Nederlands elftal in de jaren dertig, al maakte hij zijn debuut in 1928 als achttienjarige (in Milaan tegen Italië, 3-2 verloren, ster van het veld was Leo Halle). Kort daarna ging Bakhuys naar wat nu Indonesië heet en in Surabaya voetbalde hij vrolijk verder, samen met de HBS-er Felix Smeets. Zij speelden in Thor, wat tot heil onzer ribben betekende.

Toen lette ik nog niet zo op Bakhuys. Ik was een jaar of tien en erg doorgebroken was hij nog niet. Maar eind '33 kwam hij terug naar Nederland en werd door zijn voogd geplaatst op de landbouwschool ergens in de buurt van Steenwijk. Voetballen deed hij bij het Zwolse ZAC. Die ploeg was gedegradeerd naar de tweede klasse en stond er ook in die bescheiden omgeving slecht voor. Wat toen gebeurde was fantastisch. Men maakte Bakhuys aanvoerder en onder zijn inspirerende leiding begon een onstuitbare opmars naar promotie. Bakhuys scoorde dat het een lieve lust was en zoog de Zwolse ploeg mee naar grote hoogte. Het draaide uit op een beslissingswedstrijd tegen Borne, die ZAC met maar liefst 8-3 won. Bakhuys maakte zeven doelpunten! Intussen was hij haastig tot international gebombardeerd. Op 11 maart '34 versloeg Oranje de Belgen met 9-3 en met een vallend ingekopte voorzet van Frank Wels opende Bakhuys onze score en nam plaats in mijn jongenshart.

Hij is er nooit meer uit verdreven, wat niet wil zeggen dat het allemaal rozengeur en maneschijn was in zijn leven. Hij verhuisde naar Den Haag en ging voor HBS spelen. Het waren zijn beste voetbaljaren – volgens mij dan. Zelf zou hij later zeggen dat hij nooit zo sterk heeft gespeeld als in zijn Franse tijd, als prof bij de FC Metz. In Nederland werd zijn makke, dat hij officieel amateur moest blijven, terwijl dranklust in zijn Haagse tijd een te grote rol in zijn leven speelde.

In januari '36 arriveerde hij in alcoholisch verhitte toestand bij het Hollandse Spoorstation in Den Haag, waar de Oranje-ploeg zich verzamelde voor de treintrip naar Parijs om tegen Frankrijk te gaan spelen. Trainer Bob Glendenning nam hem even apart en maakte hem duidelijk dat hij nu tenminste twee goals van hem verwachtte. Het werden er drie, Nederland won met 6-1 en Bakhuys was ongrijpbaar.

Op het schoolplein bij mijn huis waar we na Han Hollander te hebben gehoord de interlands gingen naspelen, stond ik erop namens Bakhuys te mogen optreden. Hij was een formidabele midvoor en op alle punten sterk en als schutter zelfs weergaloos. De jaren kwamen en gingen en toen het vrede was geworden en de interlands hun plek onder de zon weer innamen, zat ik op de laadklep van een Luxemburgse vrachtauto die ons naar het kleine stadion bracht. Naast mij zat de intussen ex-voetballer Bep Bakhuys, op zoek naar Karel Lotsy, want hij wilde weer in Nederland gaan voetballen. Het is niet doorgegaan, want de amateurstatus keeg je zomaar niet terug en bovendien werd Bakhuys ziek, langdurig ziek.

Weer een fiks aantal jaren later toen ik al naar de tv was overgestapt, kwam mijn jeugdidool een Hilversumse studio binnen. Bob Spaak had hem gevraagd een wedstrijd te commentariëren. Hij is ten slotte, net als iedereen, door Magere Hein in bezit genomen, 73 jaar oud.

Hij heeft in het publieke leven nogal eens de boot gemist, maar ook na zijn spelersjaren bleef hij een lieve, vriendelijke man. Zou hij in het huidige voetbal hebben meegedraaid, hij zou multimiljonair zijn geworden. In de jaren dertig beperkten voor hem de mogelijkheden zich tot sigarenwinkelier en assistent-autoverkoper. In heel Europa was er maar één in wie hij zijn meerdere moest erkennen: Silvio Piola, de Italiaan.