Defensiebeleid moet niet paranoïde zijn

West-Europa moet in zijn defensiebeleid voorrang geven aan het beheersen van conflicten aan zijn grenzen, vindt Jan Zielonka.

Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog lieten communistische overheden hun onderdanen massaal trainen in civiele zelfverdediging. Veelvuldig alarm dwong burgers tot het opzetten van gasmaskers en het zoeken van dekking in ondergrondse schuilkelders. Speciale veiligheidscommissies informeerden de burgerij over het gevaar van nucleaire of chemische aanvallen en registreerden massale voorbereidingen op dergelijke aanvallen. Maar na een aantal jaren van massahysterie werd deze praktijk beëindigd, deels omdat de dreiging nooit geloofwaardig was geweest en deels omdat het civiele verdedigingsconcept kostbaar en onpraktisch was gebleken. Zelfs communistische ideologen kwamen tot de conclusie dat permanente massaorganisatie en oorlogshitsing weinig meer opleveren dan apathie en onverschilligheid bij de bevolking.

Maar sommige ideeën zijn hardnekkig, hoe dom ze ook zijn. In het artikel `Defensie moet ambities bijstellen' (NRC Handelsblad, 21 augustus) komt Patrick van Schie met argumenten die mij doen terugdenken aan mijn jeugd in communistisch Polen. Wij worden geconfronteerd, zo stelt hij, met het gevaar van een verschrikkelijke aanval van zo'n twintig rogue regimes met biologische en chemische wapens. Burgers en hulpverlenend personeel moeten serieus worden ingelicht over deze dreigingen en worden getraind in het omgaan met een aanval met massavernietigingswapens. Een speciaal orgaan moet worden opgericht dat de preventie en bestrijding van een met massavernietigingswapens ontketende ramp ter hand kan nemen en dat de activiteiten op dit gebied van militaire en civiele organen gaat coördineren. Middelen voor detectie van biologische en chemische wapens en persoonlijke bescherming zouden op ruime schaal beschikbaar moeten worden gesteld. Van Schie hoopt dat de nieuwe Defensienota zijn voorstellen serieus zal nemen in plaats van zich te concentreren op de Nederlandse rol in internationale vredesoperaties. Nederland moet aan zijn eigen defensie denken en zich niet bemoeien met de zaken van andere landen.

Het staat buiten kijf dat vele staten, met inbegrip van die welke worden aangeduid als rogue, hun militaire potentieel proberen te vergroten. Ik zie echter niet in waarom zij massavernietigingswapens zouden willen inzetten tegen Nederland. Niet dat Nederland zo onbelangrijk zou zijn, maar Iran, Syrië of Noord-Korea, de door Van Schie met name genoemde landen, hebben geen reden met enig Europees land een oorlog te beginnen. Zij hebben juist alle reden om niet met een NAVO-lidstaat in oorlog te geraken, vanwege de zeer sterke nucleaire en andere afschrikkingswapens die deze landen tot hun beschikking hebben. Vergeet niet dat Irak chemische wapens gebruikte tegen zijn buurlanden, maar niet tegen NAVO-landen (zelfs niet voor zelfverdediging). Militaire capaciteit nastreven is een ding, de logica van afschrikking negeren is iets geheel anders.

Natuurlijk kan een chemische of biologische aanval op Nederland theoretisch niet geheel worden uitgesloten, maar men dient geen geld en energie te investeren in een hoogst onwaarschijnlijk worst-case scenario.

Er zijn veel andere, meer waarschijnlijke scenario's voor conflicten die onder ogen gezien moeten worden, om niet te spreken van niet-militaire doeleinden die financiering waard zijn. Gewelddadige conflicten vlak buiten de grenzen van de EU zijn geen product van een wilde fantasie, maar realiteit. Los van morele argumenten hebben deze conflicten pijnlijke praktische gevolgen voor de gehele EU. Albanese vluchtelingen die in Italië aan land komen verspreiden zich snel over het gehele Schengen-gebied. EU-landen dichtbij instabiele gebieden vrezen een escalatie van conflicten. Banken maken zich zorgen over terugbetaling van schulden en investeerders over verloren markten. Politici worden afgeleid van nationale problemen, overheden raken overbelast door de noodzaak van permanent crisismanagement. Dit is dan wel niet de apocalyps die Van Schie voorziet, maar het kost geld, domineert de politieke agenda en produceert een morele kater.

In andere woorden, West-Europa kan zich politiek en economisch niet isoleren van gewelddadige conflicten aan zijn grenzen. Het negeren van die conflicten ondermijnt de geloofwaardigheid van onze militaire afschrikking.

Dit betekent niet dat Nederland een morele kruistocht moet beginnen in de internationale politiek. Evenmin betekent het dat we overhaast troepen naar andere landen moeten sturen, zeker niet zonder een VN-mandaat.

Na de traumatische ervaring van Srebrenica is het Nederlandse veiligheidsbeleid echter wel buitengewoon voorzichtig geworden. Als Nederland troepen stuurt, gebeurt dat omdat zijn NAVO-bondgenoten daar collectief toe hebben besloten, en dan nog met grote aarzeling en veel bedenkingen. De bondgenoten in de steek te laten en de burgers ertoe aan te zetten dekking te zoeken in de schuilkelders lijkt mij geen wijs beleid, maar dit is wel de strekking van Van Schie's betoog.

De nieuwe Defensienota zou erop gericht moeten zijn dat Nederland beter zal kunnen bijdragen aan het gemeenschappelijke Europese veiligheidsbeleid. Dit omvat ook pogingen om verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan. Maar wij moeten ons niet gek laten maken door ongeloofwaardige of zelfs paranoïde angst voor buitenlandse agressie tegen Nederland. Natuurlijk weet niemand wat de toekomst zal brengen, maar beleid moet gericht zijn op het meest waarschijnlijke scenario en niet op alle theoretische mogelijkheden.

Prof.dr. Jan Zielonka is hoogleraar politieke wetenschappen aan het Europees Universitair Instituut in Florence en is tevens verbonden aan de Universiteit Leiden.