Mahlers Vierde bij Chailly glashelder, licht en glanzend

Briljant geprogrammeerd was het eerste optreden van het Koninklijk Concertgebouworkest dit seizoen, zaterdagavond in het Amsterdamse Concertgebouw. Het concert wordt nog enkele malen herhaald in Amsterdam en op tournee in Manchester, Keulen, Luzern, Baden-Baden, Londen en Rotterdam. Voorafgaand aan de Vierde symfonie van Mahler klinken in dit zomerse concert onder leiding van Riccardo Chailly Im Sommerwind van Webern en de Sieben frühe Lieder van Berg.

Zo'n programmering is typerend voor Chailly, die Mahler het liefst in verband brengt met de avantgardistische muziek van deze eeuw. In dit geval zijn dat de Schönberg-leerlingen Anton Webern en Alban Berg, die samen met hun leermeester staan voor de Tweede Weense School. Van alledrie componisten klinkt in dit zomerse programma `vroeg' Weens werk uit de periode 1900-1908, de slotjaren van de laat-romantiek. Mahler, 23 jaar ouder dan Webern en 25 jaar ouder dan Berg, overleed al kort daarna, in 1911, op 51-jarige leeftijd. Mahlers Vierde is het sluitstuk van de vroege `Wunderhorn'-symfonieën. Het werk, naar de hemel omhoog spiralend rond een berg met zonnige en duistere flanken, wordt hier gespiegeld in Weberns zomerse en weelderig gespeelde klankgedicht Im Sommerwind. De titel daarvan komt twee keer voor in de teksten van Bergs Sieben frühe Lieder, tussen verwijzingen naar zonnegloed, avondschijn, herfstzonneschijn, schaduwzwart en nachtelijk duister.

Mahlers vroege dood laat de vraag open hoe hij zich zou hebben ontwikkeld na zijn Tiende symfonie, die Chailly later dit seizoen dirigeert in de door Deryck Cooke voltooide versie. Voor Chailly is Mahler in ieder geval een wegbereider voor de Tweede Weense School, niet alleen in de wegebbende tonaliteit in de symfonieën nrs 9 en 10, maar ook al in de Vijfde symfonie, die het seizoen 1997-'98 beheerste, zoals de Vierde symfonie het komende seizoen dat doet. Het werk komt ook voor in andere concertprogramma's, gecombineerd met een door Mahler geïnstrumenteerde Bach-suite.

Zelfs in Mahlers vrijwel probleemloze Vierde doen, na Chailly's interpretatie van de Vijfde, de climaxen al aan als voorlopers op de desolate kale klanklandschappen in de Negende en de Tiende. Chailly's opvattingen over de Vierde verschillen overigens niet wezenlijk van de hedendaagse traditie in dit werk. De dirigent mag zich graag oriënteren op Mengelberg, wiens uitvoering van 9 november 1939 zijn enige complete opname is van een Mahler-symfonie. Het is een historisch document, 35 jaar na de door Mahler zelf gedirigeerde eerste Amsterdamse uitvoering. Al leek het er even een ietsje op, Mengelbergs extreme tempowisselingen in het eerste deel, de glissandi en de zijïge vioolklank, volgde Chailly niet na.

Wel deed Chailly extra zijn best op een hedendaagse versie van de Amsterdamse orkestklank, die in elk deel een eigen karakter kreeg in varianten op zwoel, etherisch, goud en zilver. Chailly kwam in een lichte en veelal glanzend stralende uitvoering tot een glasheldere polyfonie. Daarin was de detaillering met zijn persoonlijke fraseringen, accenten en ritmiek soms verrassend beeldend. In het slotlied Das himmlische Leben hoorde men via de hoorn van Jacob Slagter de os loeien.

Soliste Ruth Ziesak zong het slotlied in de Vierde staande tussen de orkestleden. Het leek een bevestiging van het opmerkelijk instrumentale karakter van haar hoge, weinig expressieve stem waarmee ze eerder Bergs Sieben frühe Lieder had gezongen. Maar in Das himmlische Leben kwam ze tot een animerende en kinderlijk-enthousiast klinkende schildering van het luilekkerland boven de wolken, waar de muziek onaards en engelachtig klinkt. Bij een aantal van de komende uitvoeringen wordt gezongen door Barbara Bonney, met wie het werk ook op de cd wordt gezet.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Ruth Ziesak, sopraan. Gehoord: 21/8 Concertgebouw Amsterdam. Herh. Amsterdam: 15, 16, 18, 24, 26/9; 27/9 De Doelen Rotterdam.