Knuffelbaarheid

In een boek van Dick Francis staat een onvergetelijk zinnetje: de hoofdfiguur maakt kennis met een meisje, so pretty you wanted to hug her.

Dat is een heel herkenbaar gevoel, al komt een mens het maar af en toe tegen. Het gaat niet zozeer om de schoonheid van dat meisje, als om haar aantrekkelijkheid. Je ziet haar en denkt: Jezus. Die wil ik aanraken, aanhalen, hebben. Onweerstaanbaar is het woord.

Zo'n reflex moet wel een biologische basis hebben. Kleine kinderen zijn zo ontworpen dat ze hem bijna automatisch oproepen, en hoe kleiner, hoe meer. Mag ik hem even vasthouden, vraagt de buurvrouw, de tante, elk klein meisje – want op kleine meisjes werkt het 't sterkste, vreemd genoeg. Die hebben misschien nog niet zoveel ingebouwde remmingen als hun oudere seksegenoten. Om van mannen nog te zwijgen.

De vorm van het gezicht schijnt een rol te spelen: de ogen laag en ver uit elkaar, dat is een signaal van schattigheid naar iedere passant. Jonge dieren hebben hetzelfde, wat bevorderlijk is voor hun overlevingskansen. Maar grote mensen dus ook, zoals dat meisje in Dick Francis' boek.

En dan: Elvis Presley. Laatst vertoonden ze op de tv zijn terugkomstconcert uit 1968, als hij op het toppunt van zijn krachten is; lieve help wat een knuffelbaarheid. Is het omdat ik intussen volwassen ben, dat ik het duidelijker zag dan ooit? Als bakvis, het hoofd vol Dutschke en Beauvoir, had ik slechts minachting voor de vrouwen die met hem dweepten. Het type dat onder de droogkap bij de kapper zat te zuchten bij plaatjes van Elvis in de popbladen. Vies vond ik het.

Het was ook vies, want wat hij uitstraalde was pure seks, nauwelijks verhuld. Nu moet ik er zelf van zuchten. Elvis roept iets op dat nog het beste valt te omschrijven als instant verliefdheid. Wham, hebben, hier, nu. Die kuiltjes, die wimpers, dat lijf. Een profiel als een klassieke Griekse Apollo, de neus in één rechte lijn met het voorhoofd, een overdreven vlezige mond. En die lach!

Wel leuk, als iedereen op slag verliefd op je wordt. Er zijn misschien ook bezwaren aan verbonden, maar het blijft een bijzonder natuurverschijnsel. Marilyn Monroe moet ook zo'n geval zijn geweest; net als met Elvis is het met haar niet goed afgelopen. Weerloos tegenover het onstilbare verlangen van de wereld om haar te huggen.

Gewone mensen ondergaan dat misschien maar een paar keer in hun leven, want die moeten genoegen nemen met verliefdheid van de gangbare soort. Maar dat is wel precies hetzelfde: het tomeloze verlangen om nergens anders te zijn dan zo dicht mogelijk bij hem, bij haar.

En toch, nu ik de namen heb genoemd van Presley en Monroe, belegen megasterren, twijfel ik. Ken ik wel andere, minder beroemde personen die ook zo'n sterke mate van huggability hebben? Op wie je steevast een beetje verliefd bent als je ze tegenkomt? Ja, wel een of twee. Maar ik kan niet uitsluiten dat ik gewoon een beetje verliefd op ze bèn, omdat ze zo aantrekkelijk zijn en zo leuk. Misschien hebben ze niet op iedereen dat effect.

De vervelende gedachte dringt zich op dat de sex-appeal van de sterren toch iets met hun sterren-status te maken heeft, met roem of macht. Ook dat zou gemakkelijk iets biologisch kunnen zijn, want lief doen tegen wie meer macht en aanzien heeft dan jezelf is altijd gunstig, en dat dat vaak wordt vertaald in erotische gevoelens is algemeen bekend. Jaja, daar is het cliché: macht is een sterk afrodisiacum.

Maar bij Elvis, bij Marilyn Monroe? Bij een hedendaagser schatje als Juliette Binoche? En mijn vrienden E. en H. dan, zonder roem maar bij uitstek huggable?

Nee, het is leuker om te denken dat het toch een geheimzinnige eigenschap is. Een fluïdum waarmee baby's van nature zijn toegerust, en dat weer actief wordt als iemand verliefd op je is. In een enkel geval is de natuur een beetje uitgeschoten met de huggability. Misschien dat die mensen, net als Obelix met de toverdrank, er per ongeluk in zijn gevallen toen zij klein waren.