Israel breekt zijn mythes af

Nieuwe generaties willen Israel uit de greep halen van mythes en vooroordelen die het politieke denken lang hebben verduisterd. De historicus Eyal Naveh heeft in dat kader nieuwe geschiedenisboeken voor de middelbare scholen geschreven.

,,Ik ben in de oorlog van 1973 bijna het slachtoffer geworden van de mythe dat weinigen het kunnen opnemen tegen velen'', vertelt de Israelische hoogleraar Eyal Naveh. ,,Met die mythe, die stamde uit de onafhankelijkheidsoorlog (1948-49), groeide mijn generatie op''.

Toen de Syrische troepen in de Grote Verzoendagoorlog van 1973 tijdens hun bliksemoffensief tot aan de oevers van het meer van Tiberias oprukten dreigde de eenheid van Naveh te worden omsingeld. ,,Als bevelvoerend officier had ik de keus tussen terugtrekken of standhouden'', vertelt hij. ,,Ik werd geleid door de mythe dat weinigen het tegen velen kunnen opnemen.'' Maar geconfronteerd met het snel toenemende Syrische gevaar gaf hij op het laatste moment zijn manschappen opdracht terug te trekken. ,,Die beslissing heeft mijn leven gered'', zegt deze hoogleraar Amerikanistiek aan de universiteit van Tel Aviv.

Onder het schokeffect van deze oorlog kwam een langzaam aan kracht winnend proces van zelfonderzoek op gang dat zich uitstrekte van de politiek tot de diepten van de zionistische revolutie. Dat was het uitgangspunt van de school van `nieuwe historici', van wie Benni Morris de bekendste is, die in de jaren tachtig met grote kracht aan mythen rond het zionistische avontuur begon te knagen en de ogen opende voor de Palestijnse tragiek. Hun werk, evenals dat van schrijvers, toneelschrijvers – zoals de pas overleden Chanoch Levin - en enkele journalisten, heeft bijgedragen tot de vorming van een generatie `jonge wolven'. Deze generatie wil Israel `bevrijden' uit de greep van mythes en vooroordelen die als emotionele blinddoeken het politieke denken zo lang hebben verduisterd.

Eyal Naveh is zo'n nieuwe Israeliër. In de jaren negentig zag hij zijn kans schoon om zijn bijdrage aan de bijstelling van de Israelische geschiedenis te leveren toen de Arbeidspartij onder premier Yitzhak Rabin aan de macht kwam en het belangrijke ministerie van Onderwijs in handen kwam van Shulamit Aloni, de diep democratische leider van de seculiere Burgerrechtenpartij.

In het kader van hervorming van het onderwijs die minister Aloni gelastte schreef Naveh voor de hogere klassen van het middelbare onderwijs onder de titel `Moderne tijden' geschiedenisboeken. Daarin wordt voor de eerste maal de joodse en Israelische geschiedenis verweven met de algemene geschiedenis en wordt vanuit een humanistische benadering recht gedaan aan de geschiedenis van de Palestijnse revolutie als tegenpool van het zionisme.

Naveh rekende af met stereotype voorstelling van Arabieren in de kinderliteratuur en geschiedenisboeken. In zijn geschiedenisboeken zijn de Arabieren niet langer onbetrouwbare lafaards, maar normale mensen met eigenwaarde en nationale aspiraties. ,,Het is mijn opzet om de leerlingen te leren omgaan met Arabieren en te laten begrijpen dat het Israelisch-(Palestijns)Arabische conflict een botsing is tussen twee nationalistische stromingen'', zegt Naveh.

Zijn geschiedenisboeken die in toenemende mate op openbare scholen worden gebruikt - dit jaar een oplage van 80.000 - zijn voor Israelische begrippen revolutionair. Nooit eerder kregen middelbare scholieren geschiedenisboeken voor hun neus waarin wordt gesteld dat Israel onder de invloed van de Grote Verzoendagoorlog de ,,gemobiliseerde samenleving '' de rug begon toe te keren en ,,moe van de oorlogen naar een normaal leven begon te hunkeren''. Over die oorlog wordt in `Moderne tijden' gezegd dat zij voor Israel een ,,politieke en morele nederlaag'' was.

Onder de kop `De slachtpartij in Deir Yassin' wordt de aanval op dit Arabische dorp door twee ultra-nationalistische joodse strijdgroepen in 1948 als een misdaad gepresenteerd. Het feminisme, verschillende vormen van protestkunst en tal van andere onderwerpen en gebeurtenissen die door zionistische zelfcensuur de geschiedenisboeken niet haalden, komen in het geschiedenisboek van Naveh aan de orde.

Naveh trekt in zijn benadering van de geschiedenis ten strijde tegen het Israelisch egocentrisme. Zijn geschiedenisboek geeft de leerlingen in de hoogste klassen van de middelbare school niet alleen een wereldomvattend historisch perspectief maar ook gevoel voor democratische en humanistische waarden. ,,We waren lang een klein land. We wilden de vuile was niet buiten hangen. Nu we sterk zijn kunnen we na vijftig jaar onze leerlingen in de spiegel van onze geschiedenis laten kijken'', meent Naveh. ,,Dat betekent overigens niet dat ik torn aan het grote succes van de zionistische revolutie. Dat stelt me juist in staat de leerlingen ook te laten kijken naar de achterkant ervan''.

Met een Palestijnse staat aan de horizon en uitzicht op ontruiming van de in 1967 op Syrië veroverde Hoogvlakte van Golan valt het militaire historici ook gemakkelijker Israels militaire geschiedenis te ontdoen van mythes. Dat gebeurt in een recent album dat door de vereniging voor Israelische militaire geschiedenis met medewerking van de geschiedenis-afdeling van Tsahal, het Israelische leger, onder de titel `De strijd om Israels veiligheid' is uitgegeven. In dit album wordt afgerekend met de mythe dat `weinigen tegen velen' - 600.000 tegen 40 miljoen – vochten in de bijna twee jaar durende onafhankelijkheidsoorlog. Het album stelt dat er bij het begin van de Arabische aanval 32.500 Arabische soldaten stonden tegenover 32.000 Israeliërs. De Arabische legers hadden wel een groot materieel overwicht op de Israelische strijdkrachten. De Arabische troepen beschikten bij voorbeeld over 228 artilleriestukken, terwijl de Israeliërs het met slechts 45 kanonnen moesten doen. De Arabieren konden 289 tanks in de strijd brengen, Israel niet meer dan 28.

Maar de militaire historici wijzen erop dat krachtsverhouding tussen Israel en de Arabische landen ook door andere factoren werd bepaald. Zo hadden de Arabieren maar voor een paar dagen munitie; Tsahal beschikte over grotere voorraden. Kort na het uitbreken van de vijandelijkheden leverde Tsjechoslowakije 40.000 geweren, 6.000 lichte mitrailleurs en 80 miljoen kogels aan de jonge joodse staat.

In dit album wordt ook uitgebreid aandacht besteed aan het Palestijnse vluchtelingenvraagstuk en het daarmee samenhangende probleem van de `fedayien'. In het collectieve Israelische geheugen staan de `fedayien' opgetekend als Arabische terroristen die vanaf 1949 Israelische burgers de keel kwamen afsnijden. In het album wordt uitvoerig uit de doeken gedaan dat de `fedayien' Palestijnse vluchtelingen waren die uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever over de ongemarkeerde grens kwamen om hun land in Israel te bewerken, te oogsten, spullen uit hun verlaten huizen ophaalden en begraafplaatsen bezochten. In de loop der jaren kwam er het aspect bij van Arabische (Palestijnse) wraak voor het doden van infiltrerende `fedayien' door het Israelische leger.

In het album wordt tevens afgerekend met de mythe van `Eenheid 101'. Deze eenheid werd onder commando van Ariel Sharon opgericht om over de grenzen wraakacties uit te voeren als reactie op invallen van Arabische terroristen in Israel. Deze eenheid werd wegens zijn dapperheid bewierookt als de ,,nieuwe geest'' van het Israelische leger. Uit het album blijkt dat de eenheid slechts vijf maanden bestond en in die tijd slechts acht acties uitvoerde. De mythe van `Eenheid 101' werd door de legerleiding - Moshe Dayan was toen chef staf - als symbool van moed en vaderlandsliefde in de militaire doctrine geïntegreerd. Generaal Moshe Dayan en Shimon Peres, directeur-generaal van het ministerie van Defensie in die dagen, hanteerden de wraakacties tegen de `fedayien' over de grens om in 1956 een oorlog met Egypte uit te lokken. Israels leiders waren tot de conclusie gekomen dat Egypte zich opmaakte voor de tweede ronde tegen Israel. Dat maakten zij op uit de grote Tsjechische wapenleveranties aan Egypte en de zeer militante toon van de Egyptische president Gamal Abdel Nasser. Preventief handelen leek Dayan en Peres geboden. Zij slaagden er in premier David Ben-Gurion van de juistheid van hun visie te overtuigen. Peres knoopte in Parijs de touwtjes aan elkaar die in 1956 (ten tijde van de Hongaarse opstand) leidde tot de gezamenlijke Israelisch-Frans-Britse aanval op Egypte. Israel opende de oorlog met een bliksemaanval in de Sinaï-woestijn. Engeland en Frankrijk kwamen tussenbeide onder het voorwendsel het Suezkanaal open te houden. Uiteindelijk liep deze koloniale oorlog op een mislukking uit doordat Moskou met raketten dreigde, terwijl Washington er ook tegen was.