Hiroshima/Nagasaki

Jaarlijks worden begin augustus de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki herdacht en wordt daaraan in de media aandacht besteed. Daarbij wordt steevast vermeld dat sedert 1945 zeer grote aantallen van de direct overlevenden later aan kanker tengevolge van straling zijn gestorven, dat `jaarlijks nog duizenden aan de gevolgen overlijden' en dat er ook ernstige erfelijke gevolgen zijn. De werkelijkheid is als volgt.

Na de oorlog is door Japanners en Amerikanen gezamenlijk een onderzoeksinstituut opgericht om de gevolgen van straling voor de overlevenden te bestuderen. Deze studie bestaat uit het levenslang medisch volgen van 86.572 overlevenden van de nucleaire aanvallen op Hiroshima en Nagasaki. Tot 1990 overleden hiervan 7.827 personen aan kanker van wie 7.578 aan tumoren en 249 aan leukemie. Omdat ook in een `normale' bevolking velen aan kanker overlijden, wordt de groep van atoombom-overlevenden vergeleken met een overigens zo goed mogelijk vergelijkbare groep van Japanners. Dat heeft tot de conclusie geleid dat van de genoemde aantallen kankergevallen 421 toegeschreven kunnen worden aan de straling van de atoombommen, waarvan 334 gevallen met tumoren en 87 gevallen van leukemie. Men verwacht dat dit aantal met het ouder worden van de beschouwde groep nog zal stijgen; dit geldt niet voor leukemie, dat zich kenmerkt door een relatief vroeg optreden waardoor na zo lange tijd geen nieuwe gevallen meer te verwachten zijn. Het gezaghebbende instituut concludeert dat tot aan 1990 de kankersterfte onder de overlevenden van de atoombom circa zes procent hoger is dan in een vergelijkbare Japanse bevolkingsgroep en dat dit wellicht zal stijgen tot tien procent gedurende de resterende levensduur van de groep. Thans is nog meer dan de helft van de oorspronkelijke groep in leven.

In pers en overige media wordt nogal eens gemeld dat er ook erfelijke gevolgen zijn. Er zijn nog nooit erfelijke gevolgen van straling bij mensen aangetoond, ook niet bij nakomelingen van overlevenden van de atoombomaanvallen.