Atleten kunnen zich doodlopen in Sevilla

Gastschrijver Ria Stalman, de olympisch kampioene discuswerpen van 1984, is televisiecommentator bij de wereldkampioenschappen atletiek in Sevilla. `Eén kunst moet je hier goed beheersen: je nergens druk om maken.'

Spijt als haren op mijn hoofd. Na een marathonzitting voor Eurosport besefte ik gisteravond in het café om de hoek van mijn hotel dat ik vandaag, op mijn vrije ochtend, vroeg het bed uit moest om dit verhaal te maken. Happend in een gevulde paprika, slurpend aan een glas rioja, dacht ik `sufferd, je bent er weer ingestonken'. Ik had beter moeten weten, ik heb het al eerder gedaan en steeds dacht ik: dit is de laatste keer.

Een Eurosport-commentator kan op maandagochtend beter in zijn hotelkamer aan het infuus liggen, dan in het perscentrum de blaren op de vingers te tikken om kond te doen van de wederwaardigheden – of hoe is dat woord ook alweer – op de wereldkampioenschappen atletiek. Een Eurosport-commentator mag blij zijn dat ie aan het eind van een atletiektoernooi het leven heeft en niet, zoals we nu al hebben meegemaakt met een collega van de ARD, met een hartaanval in het ziekenhuis belandt.

Nee, het is geen zelfbeklag. Het is wel hard werken hier. De eerste dag, afgelopen zaterdag, gaf meteen de maatstaf voor de komende week. Met een vloek om half zeven de wekker net niet tegen de muur kwakken. Om acht uur richting stadion (optimistisch al `Olympisch' genoemd: Sevilla probeert de Olympische Spelen van 2008 binnen te halen). Papieren verzamelen, dat wil zeggen de startlijsten van de eerste dag. Zo goed als dat gaat de eerste uitzending voorbereiden, wetend dat die gaat plaatsvinden terwijl je in de brandende zon zit en de temperatuur in no time van 25 naar 38 graden gaat. Om 10 uur, als we de lucht in gaan, valt het nog mee. Drie kwartier later begint de kop – die zich onder een petje en een klemmende koptelefoon bevindt – te prikken.

Tussen de monsterachtige hebbedingetjes die je als journalist op dit soort toernooien krijgt aangereikt zat dit keer een nuttig item: een Spaans waaiertje, waar ik, microfoon uit, als een doña Maria maar dan wat minder elegant, gretig gebruik van maak. Als ik begin te smelten, is er ineens het besef dat de verlossing nabij is: binnen vijf minuten schuift het dak van het stadion als een maan voor de zon en komt dit verwelkende plantje weer tot leven. In relatieve koelte maken we (collega Ysbrand Visser en ik) de uitzending af, slepen ons in de hitte van 45 graden naar een taxi, eten, half uurtje rusten en hup, op naar de tweede sessie. Aanvang zes uur, einde half twaalf.

Eén kunst moet je hier goed beheersen: je nergens druk om maken. Niet om de traagheid waarmee de boel de eerste dagen op gang komt, niet om het gemis aan startlijsten en uitslagen, niet om alle afgezette wegen rondom het stadion zodat je, eenmaal de taxi uitgestapt, nog een pest eind in de zinderende hitte moet lopen (dat betekent ook sjouwen met een tas vol papier), en vooral niet om de overijverige leden van de Guardia Civil die de boel hier bewaken en die je ongeveer een pistool op de kop zetten als je in grote haast het stadion binnen wil rennen en iets te slordig bent met het tonen van je toegangspas.

Een zo'n mannetje ging gisteren stevig op zijn strepen staan toen ik, geërgerd door die afgesloten wegen, sjouwend en zwetend hem achteloos passeerde: het scheelde maar weinig of hij had mijn hondenpenning ingenomen en mij verdere toegang tot het stadion ontzegd. Een oude Spanjaard die het tafereel had aangezien sprak mij naderhand bestraffend toe, zodat ik nog maar iets riep in de trant van `Dat mag u dan gewend zijn uit de tijd van Franco, maar ik kom toevallig uit Holland en daar gaan we heel anders met onze gasten om'. Zo, die was er uit.

Niet dat ik echt Spaans spreek. Ik moet taxichauffeurs regelmatig teleurstellen als blijkt – nadat ik mijn tien woorden Costa del Sol-Spaans van vroeger heb geëtaleerd – dat ik van de riedel die hij vervolgens ten gehore brengt, de ballen begrijp. Nou ja, soms doe ik alsof, maar antwoord geven lukt al snel niet meer. Behalve als het over atletiek gaat. Daar komen we nog wel uit, want het gaat hier maar over één klein stukje van de atletiek: de mil quinientos. De 1.500 meter.

Gisteravond kwamen de mensen uit Sevilla – waarvan meer dan de helft aan het strand ligt of de koelte van de Sierra Nevada gezocht heeft – halverwege het programma binnen. Toevallig zagen ze dan de finales van de 100 meter, maar ze kwamen vooral voor de halve finale mil quinientos, met hun helden Fermin Cacho, Andres Diaz en Reyes Estevez. Even werd het een heksenketel in het immense stadion, toen was het weer voorbij en stonden velen ook meteen weer op. Het was rond tien uur, je moet als Spanjaard dan ook nog eten.

Op zich lijkt de WK atletiek hier wel te leven. De stad is versierd met olijke banieren en volgeplakt met posters, de Spanjaarden zijn gek op sport, de kranten staan vol met berichten uit en over dit WK, maar veel publiek hebben we nog niet gezien. De Internationale Atletiek Federatie lijkt dezelfde blunder te hebben gemaakt als twee jaar geleden in Athene: een WK organiseren op een tijdstip dat de bewoners in de stad en de omgeving met vakantie zijn. Iedereen ontvlucht Sevilla in augustus vanwege de hitte, maar Primo Nebiolo en consorten verzinnen het een WK te organiseren in de stad met de hoogste temperaturen van Europa in de heetste periode van het jaar.

Zelf zit opperbobo Nebiolo – door mij nu bijgenaamd `Boris', omdat hij net als Jeltsin door vazallen ondersteund en begeleid moet worden – op gekoeld VIP-pluche op de tribune; aan zijn voeten komen snelwandelaars aan de finish die na 20 kilometer de wereld voor een doedelzak aanzien. De kritiek die uit alle hoeken van de atletiekwereld heeft geklonken op de combinatie van plaats en tijdstip werd door Nebiolo olijk afgedaan met iets als `Kom op jongens, onze atleten zijn jonge, sterke mensen, die kunnen wel tegen een stootje'.

Ook voor smeekbeden van het organisatiecomité om het geplande tijdstip van de mannenmarathon te wijzigen had de IAAF geen oor. Zaterdagavond half zeven gaat die marathon van start – gisteravond was het rond die tijd 45 graden – maar Nebiolo zal doodvallen als hij daar nog wat aan verandert. Liever vallen marathonlopers dood, dan dat de commerciële belangen worden geschaad. En ach, dat doodvallen van die lopers zie je toch niet, dat krijgen we niet in beeld, evenmin als de opvang in de tent in de catacomben van het stadion, waar een complete intensive care unit is ingericht.

En niet ten onrechte. Peter Vergouwen, arts van de Nederlandse ploeg hier in Sevilla, krijgt bijna het schuim op de mond van kwaadheid als hij praat over de risico's die langeafstandlopers hier lopen. De risico's zijn al lang bekend. Wie herinnert zich de beelden van compleet uitgedroogde atleten bij de Spelen van Los Angeles?

Met name in de aanloop naar de Olympische Spelen van Atlanta is erg veel onderzoek verricht naar de invloed van de warmte. De conclusie was: geen duurinspanning verrichten bij temperaturen boven 28 graden (bij een bepaalde vochtigheidsgraad al niet vanaf 23 graden). Het prestatievermogen bij hoge temperaturen gaat een stuk omlaag en het risico op warmteziekte – als gevolg van uitdroging en verhoogde lichaamstemperatuur – is zeer hoog. Een atleet kan zichzelf hier letterlijk kapot lopen.

Veel toplopers hebben bij voorbaat bedankt voor de marathon in Sevilla. Degenen die wel lopen doen dat in de wetenschap dat hun carrière na zaterdag voorbij kan zijn, dat ze nooit meer van de aanslag op hun lichaam zullen herstellen. En in zijn tirade – gedaan in een sfeer van goede bekenden onder elkaar – kwam Vergouwen tot de opmerkelijke uitspraak dat degenen die écht in de problemen komen op de intensive care behandeld moeten worden. Een niet ondenkbaar scenario is dat de atleten daar volgestopt worden met dope om in leven te blijven. De IAAF strijdt tegen de dope onder andere om de gezondheid van de atleten te beschermen, maar laat ze tegelijkertijd het risico lopen zich gigantisch te beschadigen.

Ik heb gezien hoe de snelwandelaars na 20 kilometer binnen kwamen. Slechts een enkeling zakte door de knieën en Jefferson Perez, die tweede werd, zag een beetje pips op het podium. Maar die mannen waren maar een kleine anderhalf uur in actie geweest. Nee, wacht maar tot woensdag. Dan komt de volgende test voor de mannen die de weg op moeten: om half tien beginnen snelwandelaars aan een tocht over 50 kilometer. Dat duurt een uurtje of vier. Als ze binnenkomen, zit Nebiolo ergens lekker te lunchen, de intensive care moet je aan de professionals overlaten, daar moet je je niet mee bemoeien, daar loop je toch maar in de weg. En ik verwacht dat we de drama's niet zullen zien, die worden angstvallig voor het oog van de wereld verborgen.

Ik kijk naar mijn eigen programma van de komende dagen. Morgen, dinsdag: 10 uur beginnen, net als een atleet om zes uur op. Tegen middernacht klaar, niet lekker slapen, woensdag zes uur op, half tien beginnen, middernacht klaar. Donderdagochtend: aan het infuus.