Verzadigingspunten

Neem een kannetje (`vat' zeggen de natuurkundigen) van een halve liter, schenk er water in, laat er een draad in zakken, verwarm het water, gooi er heel veel suiker bij en laat de oplossing langzaam afkoelen. Aan de draad verschijnen de suikerkristallen. Ze lijken wel geslepen diamanten. Het is kandij – zoet maar niet lekker.

Dit is de eerste proef die mijn moeder voor me uitvoerde. Later leerde ik op school over kristallisatie in het algemeen, over de aggregaatstoestanden, en dat salpeter – onmisbaar voor wie buskruit wil maken – vooral wordt aangetroffen in grotten. Mijn eerste leraar natuur- en scheikunde was een nobel man, in de klas heerste rechtvaardigheid, maar hij had één nadeel. Hij hield zich strikt aan de theorie. Geen proeven. Geen stank van zwavelwaterstof in de klas, laat staan de plof van buskruit – terwijl het in deze vakken juist gaat om de aanschouwelijkheid. Aan de talenten van Jules Verne en Curzio Malaparte heb ik te danken dat ik me bij deze verschijnselen iets kan voorstellen. Verne over buskruit, natuurlijk het Monsterkanon van Staalstad, en over de aggregaatstoestanden het onderkoelde poolmeer dat in ijs verandert als er een blokje ijs in wordt gegooid. Nu ik dit opschrijf vraag ik me af of Malaparte zijn gruwelijk tafereel over de paarden in het Ladogameer aan Verne te danken heeft.

Voor wie dit laatste niet heeft gelezen vat ik het samen. Het staat in zijn boek Kaputt. Iedere winter bevriest het Ladogameer van de ene seconde op de andere. Door de strenge vorst raakt het water onderkoeld, maar dankzij de windstilte gaat het nog niet in de volgende aggregaatstoestand over. Het wachten is op de beroering die het plotseling in ijs zal doen veranderen. Het is in de winter van 1942. Het meer is op de grens van ijswording, het water moet nog een halve graad kouder worden. Dan nadert een regiment dragonders van het Rode Leger. De commandant beveelt: door het meer. Als ze de oever ver achter zich hebben gelaten, bereikt het water het stadium van de plotselinge totale ijswording. Een maand later verschijnt oorlogsverslaggever Malaparte. Uit de ijsvlakte steken honderd paardenkoppen en honderd bovenhelften van dragonders.

Kristallisatie kan ook een psychisch proces zijn. Het is ontdekt door Stendhal die in zijn De l'amour er een ingewikkelde fasentheorie aan vastknoopt, waarbij het natuurkundig begrip ten slotte alleen als uitgangspunt voor zijn eigen beeldspraak dient. We kunnen ook een andere weg kiezen, waarbij we ons wel verder van de natuurkunde verwijderen, maar nooit helemaal loslaten. We houden vast aan het verschijnsel van de oververzadiging maar brengen die over op de psyche. Wat in de natuurkunde dan kristallisatie heet, krijgt bij de mens vorm als toenemende walging. Die heeft zoveel verschijningen dat aan het beschrijven niet valt te beginnen. Zo is er ook de plotselinge verandering van de ene psychische aggregaatstoestand in de andere die zich uitdrukt in de onverhoedse verwerping of omarming, van de ene seconde op de andere. Dat hoeft niet noodzakelijk een ander mens te gelden; het kan van alles zijn, muziek, een stad, eten of drinken. Het is gebeurd, als de bevriezing van het Ladogameer. Ziel- of natuurkundig, het zijn allemaal vormen van révolte.

Vorige week heb ik hier een stukje over de Lutine geschreven. Als kind heb ik al over het goud van de Lutine gelezen. Tegen de tijd dat mijn kleinkinderen zo oud zijn als ik nu bent, wordt er nog naar het goud gebaggerd. Omstreeks dezelfde tijd werd bekend dat degenen die `topsalarissen' verdienen, een loonsverhoging van acht procent hebben gekregen, en de rest gemiddeld drie, tot boosheid van de rest. Eén procent van de top kan al meer zijn dan drie procent van de rest. Dat werd niet eens in het midden gebracht. De discussie draaide om de procenten.

Er zijn mensen die zich tonen als een oververzadigde geldoplossing. Dat weten we allemaal uit de manieren waarop ze kristalliseren. Maar kunnen we ons ook voorstellen dat iemand in volstrekte rust, ongestoord een overmaat van geld heeft geabsorbeerd en dan door het geringste zuchtje opeens een andere psychische aggregaatstoestand aanneemt? Ik niet. Je ziet wel dat zeer rijke mensen die dit niet door liefdadigheid zijn geworden, op latere leeftijd in de filantropie gaan. Andrew Carnegie aan wie we het Vredespaleis te danken hebben. Sir Basil Zaharoff, rijk geworden in de wapenindustrie, heeft zich later tot beschermer van kunst en wetenschap ontwikkeld. Maar dat is niet wat ik bedoel. Er moet een ogenblik zijn dat de hoeveelheid geld een mens te machtig wordt. Het zegt iets over geld en mens dat niemand, met hoeveel dan ook, dit punt nog heeft bereikt.

Een paar weken geleden citeerde ik een gesprek tussen Hemingway en Scott Fitzgerald. De laatste zegt: `The rich are different.' Ik heb toen Hemingway een causaal verband laten aanbrengen: `Because they have more money.' Het moet zijn: `Yes, they have more money.' Een lezer was zo vriendelijk me dit te schrijven. Blijft de vraag op welke manier het verschil zich uitdrukt. En waarom degenen in kwestie er blijkbaar niet genoeg van kunnen krijgen.