Verboden planten

Het zal ongeveer in 1965 zijn geweest dat een van mijn oudere broers die allang het huis uit was, in het begin van de zomer kwam aanrijden met een bestelautootje. Hij laadde er dozen vol planten uit, zeventig planten in totaal. Het waren siernetels, zo verklaarde hij. Hij had ze van een bevriende kweker gekregen en hij ging er nu de borders van de tuin bij zijn ouderlijk huis mee opfleuren. Mijn moeder was hoogst verbaasd. Siernetels? Van die plant had ze nog nooit gehoord. Wanneer bloeiden ze en hoe zagen de bloemen eruit? Mijn broer vertelde dat de bloemen niet erg opvallend waren, het sierlijke zat hem meer in het blad en de vorm van de planten.

Nadat hij alle gaten in de bloemperken met zijn netels had opgevuld, vertrok hij weer. Aan het eind van de zomer zou hij de planten komen ophalen, tot zolang mochten zijn moeder en zijn jongere broers en zusjes ervan genieten. Aan mij vroeg hij om de siernetels als het droog was water te geven, wat ik braaf heb gedaan.

Mijn moeder vond het maar niks. Sinds wanneer had haar zoon belangstelling voor tuinieren? En wat waren dit voor rare planten? Het sierlijke zag ze er absoluut niet aan af. Ze werd wantrouwig. 't Zou toch geen marihuana zijn? Ik herinner me nog hoe ze dat woord uitsprak, vol afschuw en met een langgerekte tweede a: marihuáána. Ze wilde er het fijne van weten en, zoals ze wel vaker deed als ze een probleem had, ze besloot om naar de dominee te gaan en te vragen wat hij ervan vond.

Een dag later liep de dominee, een kleine, grijzende man, met mijn moeder door de tuin. Een andere broer, die wel was ingelicht over de ware aard van het mysterieuze gewas, vergezelde hen en ik drentelde er nieuwsgierig achteraan. De dominee zei dat hij weinig verstand had van planten en net als mijn moeder had hij geen idee hoe marihuana eruitzag. De broer die met hen opliep, had de Geïllustreerde Flora van Nederland mee naar buiten genomen en terwijl hij druk stond te bladeren in het dikke boek en zogenaamd aan het determineren was, probeerde hij hen te overtuigen dat deze planten werkelijk siernetels waren: de Flora leverde duidelijk het bewijs. Weliswaar werd de plant in de Flora sierbloem genoemd, maar dat kwam in wezen op hetzelfde neer. De dominee, die eerst nog gesuggereerd had dat mijn moeder misschien bij de politie te rade moest gaan, wist weinig in te brengen tegen het ingewikkelde relaas over stengels, bladvormen en bloemkronen. Het klonk geloofwaardig, oordeelde hij en hij slaagde er in mijn moeder gerust te stellen.

Zo konden de planten ongestoord de hele zomer doorgroeien. Maar toen mijn broer ze weer kwam halen, zei mijn moeder hem wel dat ze volgend jaar liever geen siernetels meer in haar tuin had: ze bleef het dubieuze planten vinden.

In Nederland is de hennepplant een van de weinige gewassen waarvan de teelt aan strenge regels gebonden is. Binnen mag hennep niet gekweekt worden en buiten mag het uitsluitend voor de productie van vezels. In ons klimaat is het moeilijk om buiten hennep te kweken voor wiet, dat lukt alleen in mooie, warme zomers. Toch wordt het natuurlijk wel geprobeerd. Bijvoorbeeld middenin maïsvelden. In juni en juli, wanneer de maïs hoog opschiet, is niet te zien of zich in zo'n veld verboden planten schuilhouden. Ook gebeurt het wel dat tussen de vezelhennep op elke zoveelste rij stiekem een wietvariëteit is aangeplant.

Behalve hennep zijn er maar enkele planten die hier niet vrijuit mogen groeien. Volgens een woordvoerder van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is van papaver alleen de `sierteelt' toegestaan. En cocaplanten mag men niet `voorhanden hebben', dus als ze hier konden gedijen, zou de kweek verboden zijn.

Begin vorig jaar leek het rijtje verboden planten ineens te worden uitgebreid. Minister Borst kondigde toen een verbod aan voor planten uit de nachtschadefamilie zoals bilzenkruid, doornappel en alruin. Ze zijn niet alleen giftig, maar bevatten ook hallucinerende stoffen. Ik zag al een speciale plantenpolitie voor me, botanische teams die onverwachts invallen deden bij kwekerijen. Maar dat lijkt niet de bedoeling. Bij het ministerie is nu het zogeheten `Kruidenbesluit' in de maak dat niet het kweken van deze planten verbiedt, maar wel de verwerking in voedingsmiddelen en `smartdrugs'.

Toen ik vorige week mijn jaarlijkse bezoek aan de tuinplantenkwekerij van Coen Jansen in Dalfsen bracht om daar wat van zijn bijzondere phloxen te kopen, vroeg ik hem of hij weleens te maken heeft met plantverboden. Hij kon zich niets herinneren. De Nederlandse Algemene Keuringsdienst Boomkwekerijgewassen komt elk jaar controleren of zijn planten wel vrij zijn van bepaalde virussen en aaltjes en hij krijgt weleens waarschuwingen van de Plantenziektekundige Dienst voor gevaarlijke onkruiden als de knolcyperus (een onschuldig ogend grasje dat ondergronds een verstikkend netwerk van knolletjes vormt), maar in principe worden tuinplanten niet gehinderd door regels of wetten.

Soms komen er op zijn kwekerij `overjarige hippies' die op zoek zijn naar alruin en dan weet hij wel `hoe laat het is'. Al in de Middeleeuwen werd uit alruin heksenzalf gebrouwen.

Er is maar één plant die volgens Coen Jansen in aanmerking komt voor een verbod: reuzenberenklauw (heracleum mantegazzianum). Dat is, zegt hij, echt een gevaarlijk gewas dat vreselijke huiduitslag veroorzaakt. ,,Wie een berenklauw in zijn tuin ziet, moet die meteen afschoffelen, nooit aanraken en altijd kinderen uit de buurt houden.''

Omdat in de omgeving van zijn kwekerij veel maïs wordt geteeld, vliegt er regelmatig een helikopter over die spiedt of tussen de maïs niet heimelijk hennep groeit. Het is de milieuhelikopter die ook ongeoorloofde afvallozingen moet traceren. Zulke helikopters bestonden in de jaren zestig nog niet. Hennep heette nog `marihuanaplanten', bijna niemand wist hoe die eruitzagen en het konden evengoed siernetels zijn.