VERBAND TUSSEN AARDBEVINGEN EN NEERSLAG OP DE BALKAN

Betim Muço, een onderzoeker van het Seismologisch Instituut in Tirana, Albanië, heeft een verband ontdekt tussen de mate van seismische activiteit in bepaalde gebieden van de Balkan en de gemiddelde hoeveelheid neerslag die daar valt. Dat meldt hij in Physics of the Earth and Planetary Interiors van 27 juli. Al sinds zo'n twintig jaar suggereren sommige onderzoekers dat variaties in de stand van het grondwater een rol zouden kunnen spelen bij het optreden van ondiepe aardbevingen. Muço meende vier jaar geleden zo'n verband te hebben gevonden bij bevingen in Albanië en heeft zijn onderzoek nu uitgebreid tot het gehele Balkangebied.

Muço verdeelde het gebied van de Balkanschiereiland op grond van geomorfologische kenmerken (dat wil zeggen het reliëf en de vorm van het oppervlak) in zeven zones. Daarna inventariseerde hij alle aardbevingen met een magnitude van 4 of sterker op de schaal van Richter die in de periode 1900-1990 in het Balkangebied hadden plaatsgevonden. Dat waren er in totaal 1035. Vervolgens berekende hij voor iedere zone het aantal bevingen in elk van de maanden van het jaar en de totale hoeveelheid neerslag in die maanden. Via statistische analyses vond hij zo dat in vier zones een verband blijkt te bestaan tussen de seismische activiteit met een magnitude van tenminste 4 op de schaal van Richter en de hoeveelheid neerslag.

In het gebied van de Dinarisch-Helleense bergketens (ruwweg het westelijke deel van het Balkanschiereiland) zou een grotere hoeveelheid neerslag gemiddeld genomen één maand later worden gevolgd door een wat grotere seismische activiteit. En in de laaglanden van Kosovo en Macedonië en de centrale hooglanden van het westen van Servië en het zuiden van Bulgarije zou een grotere hoeveelheid neerslag gemiddeld drie tot vier maanden later leiden tot een grotere seismische activiteit. Bij drie zones kon geen correlatie worden gevonden of was het aantal aardbevingen te gering voor een statistische vergelijking.

Muço wijst er op dat de nu gevonden correlaties niet impliceren dat de neerslag in die gebieden de bepalende factor is bij de seismische activiteit. Die activiteit wordt in de eerste plaats bepaald door de tektonische spanningen die voortvloeien uit het contact tussen de Afrikaanse en de Euraziatische aardschol. De neerslag zou in sommige gebieden echter als `oliedruppel' in een al op scherp staande spanningssituatie in het gesteente kunnen fungeren. De `vertraging' van één tot vier maanden zou dan het gevolg zijn van het feit dat neerslag enige tijd nodig heeft om vanaf het oppervlak door te dringen tot die diepten waar de seismische activiteit plaatsvindt. (George Beekman)