Scène in de trein

Ze zijn al enige keren door de wagon gewandeld. De voorste, de kleine, draagt een zachtgroen pak waaronder een donkere coltrui, de overjas hangt losjes over een arm. De langste gaat gekleed in stemmig grijszwart, de bril met dikke glazen staat voor op zijn neus, vergroot de ogen in het scherpe gezicht. In plaats van de brug omhoog te drukken, houdt hij zijn hoofd enigszins naar achteren, alsof hij zich een zo ver mogelijk uitzicht wil gunnen, over het hoofd heen van zijn metgezel.

Kort voor de trein het volgende station binnenrijdt, opent de kleine de schuifdeur, buigt zich voorover naar de vrouw aan het raam en legt, terwijl hij haar een onduidelijke vraag stelt over de bestemming van de trein, zijn jas over de weekendtas op de stoel naast haar. De lange heeft positie gekozen in de deuropening.

De reisgenote van de vrouw schiet overeind en reikt naar de tas tegenover haar. De kleine trekt zijn jas terug, recht zijn rug en mompelt, de armen als om vergeving vragend geheven, een excuus. Het wordt aanvaard, niets aan de hand, goede reis.

Het tweetal trekt zich terug buiten de coupé. De dames controleren de tas. Daar is de portemonnee. Iedereen haalt opgelucht adem. Er is eigenlijk niets voorgevallen; de toeschouwers van de kleine scène hebben abusievelijk twee reizigers aangezien voor zakkenrollers.

Even later – het tweetal heeft onder het spiedend oog van de achterblijvers de trein verlaten – roept de vrouw uit dat ze haar etuitje met shag kwijt is. De hele tas gaat nu ondersteboven. Het etuitje, het lijkt op een beursje, zegt ze, ontbreekt. Ze legt het altijd bovenop in haar tas.

Haar reisgenote staat op, beent de coupé uit en komt even later triomfantelijk terug met een zwart etui: het lag op de treeplank. De shag zit er nog in.

U had mij erbij moeten halen, bast de conducteur bij het eindstation, ik had er wel raad mee geweten.

Meewarig kijken de toeschouwers hem aan.