Red de harde bèta

De studies wiskunde, natuurkunde en scheikunde trekken nog maar een handjevol studenten. Om ze vitaal te houden wil de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid de opleidingen vèrgaand concentreren. `Zorg voor kritische massa.'

VORIG JAAR telde de Universiteit Leiden 14 eerstejaars wiskunde. In Amsterdam trok de UvA er 11, de VU bleef steken op 7. Ter vergelijking: voor het komend studiejaar bedraagt het aantal aanmeldingen bij de Leidse opleiding Egyptologie op dit moment 12 – en er komen er nog steeds bij.

Het gaat slecht met de harde bèta-opleidingen in Nederland. Sinds begin jaren negentig is het aantal inschrijvingen voor wiskunde, natuurkunde (inclusief sterrenkunde) en scheikunde aan de zes algemene universiteiten (Groningen, Utrecht, Amsterdam (2), Leiden, Nijmegen) gehalveerd. In mei 1997 luidde de commissie-Verruijt, ingesteld door de Akademie van Wetenschappen, de noodklok over de ``dramatische terugloop'' bij de natuurwetenschappelijke en technische opleidingen. Bovendien zou Nederland in bèta-belangstelling stevig achterlopen op het buitenland.

Deze bevindingen, neergelegd in het rapport Wetenschap en Techniek. Welvaart en Welzijn, waren voor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aanleiding de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) te vragen zich te bezinnen op een strategie om het bèta-probleem het hoofd te bieden. Afgelopen woensdag lag het advies op tafel: Vitaliteit en kritische massa. Strategie voor de natuur- en technische wetenschappen. Voornaamste conclusie: halveer het aantal locaties voor wiskunde, natuurkunde en scheikunde.

Opvallend aan het AWT-rapport is dat het de door de commissie-Verruijt gesignaleerde terugloop alsook Nederlands zwakke positie in internationaal verband in niet mis te verstane termen kritiseert: `in beide stellingnamen is er sprake van vooroordelen die aanwijsbaar genuanceerd kunnen worden'. ``Verruijt is vergeten het hoger beroepsonderwijs mee te nemen'', zegt AWT-voorzitter B. Veltman, tot voor kort voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Twente. ``Zijn cijfers deugden niet. Nederland blijft niet achter, we scoren heel gemiddeld wat betreft het aantal studenten dat een bèta-opleiding volgt.''

Ook van de `dramatische terugloop' van het aantal bèta-studenten blijft nader beschouwd weinig over: voor zover er al van een daling sprake is, valt deze te verklaren aan de hand van demografische factoren – het aantal achttienjarigen is van eind jaren tachtig tot midden jaren negentig gedaald – gevoegd bij een sterke toename in het wetenschappelijk onderwijs van het aandeel vrouwen. Die kiezen aanzienlijk minder dan mannen voor een bèta-opleiding: 13 tegen 34%. Die getallen zijn al jaren verbluffend constant, de variatie is ongeveer 1%. Veltman: ``We konden het zelf haast niet geloven en hebben de cijfers driemaal gecontroleerd. Het klopt. Het zijn structurele zaken die niet met een fraaie folder zijn om te buigen. Overigens kiezen ook in de ons omringende landen weinig vrouwen voor bèta, in tegenstelling tot de Verenigde Staten en sommige islamitische landen.''

ONTKRACHT

In dit verband ontkracht het AWT-rapport de vaak geuite stelling dat de maatschappij meer behoefte zou hebben aan bèta's dan aan afgestudeerden uit andere disciplines. `Dat was niet zo in de tijd van laagconjunctuur, het is niet zo in de huidige hoogconjunctuur en het zijn ook niet de verwachtingen voor de nabije toekomst', aldus het rapport. Ondanks het dalende aantal afgestudeerden hebben wiskundigen, chemici en fysici geen sterkere arbeidsmerkpositie dan de gemiddelde academicus. Veltman: ``De dienstensector is geweldig opgekomen. Die betaalt goede salarissen, het carrièrepad is prima, je kunt er uitdagende dingen doen, naar het buitenland – waarom zou je als eerstejaars voor een studie kiezen die een jaar langer duurt en waarvoor je ook nog eens veel harder moet werken?''

Mag van een verandering van opleidingkeuze in de volle bèta-breedte nauwelijks sprake zijn, binnen dat geheel vallen opvallende verschuivingen waar te nemen. Terwijl de rek er bij het WO sinds 1990 uit is, is het technisch HBO fors door blijven groeien. Verder hebben de drie technische universiteiten (Delft, Eindhoven, Twente) hun positie ten opzichte van het bèta-deel van de algemene universiteiten verstevigd. En binnen de natuurwetenschappen verliezen de `harde' opleidingen weer terrein aan levenswetenschappen als biologie en farmacie: op die terreinen, zo wil de beeldvorming, valt nog iets nieuws te beleven. Als informatica dan ook nog eens sterk in de lift zit kan de uitkomst niet anders zijn dan dat wiskunde, natuurkunde en scheikunde in de hoek zitten waar de klappen vallen. De aantallen eerstejaars voor die vakken zijn dan ook gehalveerd. Vorig jaar schreven zich 741 eerstejaars in, op een totaal van 265 hoogleraren. Dat is, aldus het AWT-rapport, `zorgelijk uit oogpunt van continuïteit bij de industrie en het leidt tot inefficiënties in de betrokken opleidingen'.

AANBEVELINGEN

Om uit de problemen te komen komt het AWT-rapport met een aantal aanbevelingen. Een daarvan luidt dat de bèta-component in de humaniora en de sociale wetenschappen danig moet worden versterkt. Veltman: ``Ook binnen de alfa- en gammastudies wordt veelvuldig gewerkt met computers, met wiskundige modellen. Dat vereist enig inzicht op dat gebied. Trouwens, we zijn er een groot voorstander van dat de middelbare scholier niet langer de kans krijgt de exacte vakken te omzeilen.''

Ongelukkig is de AWT met de waaier aan studievarianten die de exacte opleidingen aanbieden. Veltman: ``Er is een geweldige versnippering ontstaan met als gevolg dat geen schooldecaan er nog wijs uit kan. Modieuze opleidingen als milieukunde, die in wezen uit natuurkunde of scheikunde bestaan, zouden er goed aan doen terug te keren naar de moederschoot. Het onderwijs moet worden verbreed, het moet voorbereiden op een multidisciplinaire beroepspraktijk. Zo speelt het in op de veranderende interesse bij de studenten, en op die van hun latere werkgevers. Nog maar tien procent van de afgestudeerden vindt werk in de research, veel minder dan vroeger. Dat moet consequenties hebben voor de inrichting van het onderwijs.''

De AWT is weinig enthousiast over de dit jaar gestarte vernieuwing van de exacte studies – een reactie op het alsnog binnenhalen van de vijfjarige cursusduur. Veltman: ``Er komen drie richtingen, een onderzoeksvariant, een maatschappelijke variant en een lerarenvariant, ieder ongetwijfeld met een aantal uitstroomrichtingen. Verspreid over de negen universiteiten leidt dat tot enige honderden studiepaden – voor enige honderden studenten. Wil je zo de instroom opkrikken? Bovendien, de studenten willen helemaal geen vijfde jaar. Geen stijging maar een verdere daling van de instroom is zo te verwachten. Kijk naar het vijfde studiejaar op de TU's. Zodra ze dat kregen gingen hun exacte opleidingen weer terrein verliezen aan de algemene universiteiten. Dit jaar hebben de TU's èn de algemene universiteiten vijf jaar en beide gaan er vijf procent op achteruit.''

Om de verbreding gestalte te kunnen geven acht de AWT concentratie van exacte opleidingen onontkoombaar. Minimum is een halvering van het aantal locaties. Vanwege de lage instroom bij wiskunde, natuurkunde en scheikunde is bij die richtingen eenvoudig het potentieel niet meer aanwezig om ruimte te scheppen voor de broodnodige vernieuwing. `Bij de algemene universiteiten', aldus het AWT-rapport, `is het aantal hoogleraren bij de exacte vakken teruggebracht tot het minimum aantal specialisatierichtingen, zodat daar nauwelijks of geen ruimte bestaat voor een geïntegreerde verbreding van het onderwijs.' Veltman: ``Herkenbaarheid en een duidelijke profilering, daar gaat het om.''

Ook uit oogpunt van het onderzoek, zo vindt de AWT, is concentratie gewenst. Die zal de wetenschappelijke vernieuwing, de internationale zichtbaarheid en de samenwerkingsmogelijkheden met het bedrijfsleven ten goede komen. Veltman: ``Echt vernieuwend onderzoek vindt vaak plaats in kleine groepjes. Naarmate een groep groter is, lukt het beter de mensen daarvoor de ruimte te geven, een zekere kritische massa is zeer gewenst. Onderzoeksscholen zijn vaak papieren verbanden verspreid over meerdere locaties en met één thema. Maar pas als een onderzoeker in de kantine in fysiek contact komt met collega's van andere kleine groepjes ontstaan spannende kruisbestuivingen over de grenzen van de disciplines heen: bio-informatica, nanotechnologie. De kwaliteit van het Nederlandse onderzoek is nu uitstekend, maar het geheel is door de versnippering te kwetsbaar.''

Hoe de concentratie zijn beslag moet krijgen laat de AWT in eerste instantie over aan de universiteiten, pas als die er niet uitkomen is een plan van bovenaf nodig. In tegenstelling tot de – beruchte – TVC-operatie (taakverdeling en concentratie) uit het tijdperk Deetman, gaat het niet om een bezuiniging, al pleit de AWT er wel voor de bekostiging van de exacte opleidingen meer dan nu het geval is in overeenstemming te brengen met het aantal afstudeerders. Bilaterale afspraken tussen Leiden en Delft, Utrecht en Wageningen, of Nijmegen en Eindhoven zijn een stap in de goede richting maar bieden onvoldoende soelaas. Veltman: ``Je loopt de kans dat het blijft steken bij een tien procent-operatie. De universiteiten reageren erg defensief, is onze ervaring: hoe kunnen we deze bui over ons heen laten drijven zonder nat te worden.''

GLAMOUR

Maar welke universiteit zal vrijwillig de harde bèta-opleidingen, inclusief het onderzoek dat glamour uitstraalt, eraan geven? Veltman: ``Het is niet noodzakelijk de opleidingen wiskunde, natuurkunde en scheikunde, die bovendien een steunfunctie vervullen voor andere richtingen, helemaal te sluiten. In die zin wordt ruimte geboden door de Bologna-verklaring van dit voorjaar, waarin de Europese ministers van onderwijs afspraken te streven naar een Angelsaksisch model met bachelors en masters. Het is denkbaar dat de zes algemene universiteiten ieder de bachelors-opleidingen aanbieden, maar dat de masters en PhD's op twee à drie universiteiten geconcentreerd zijn. Een bachelors-opleiding kan heel wel op zichzelf staan, als het onderwijs van hoge kwaliteit is komen de studenten heus wel en zoeken ze eventueel daarna een mastersopleiding uit. Kijk naar MIT in Amerika. Dat instituut is bekend om zijn superieure masters- en PhD-opleiding, maar hun bachelors zijn notoir slecht. Pikant is in dit verband dat de universiteiten zes jaar geleden de voorstellen van Nuis om studenten na drie jaar studie de mogelijkheid te bieden als bachelor uit te stappen, hebben weggehoond.''

Het ideaal voor de AWT is de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich. Veltman: ``De ETH is zonder meer een van de meest toonaangevende onderzoeksuniversiteiten van Europa, een technische en algemene universiteit ineen, een echt concentratiepunt waar veel mensen bij elkaar zitten. Zet er à la de voetbalwereld enkele internationale toppers bij, zoals de Zwitsers gedaan hebben, en je hebt een vitaal instituut dat zuigt als een magneet. De teruggang is daar veel minder.''

Vitaliteit en kritische massa. AWT-advies nr. 41. Zie http://www.awt.nl/