Martiale trots in ruste

Amerika heeft beloofd geen atoomwapens meer te zullen ontwerpen en ook geen kernproeven uit te voeren. Maar de drie nationale kernlaboratoria hebben nog altijd even hoge budgetten als tijdens de Koude Oorlog. Hoe ziet Amerika's nucleaire toekomst er uit?

Het is niet wat je noemt een politiek correct museum: het Bradbury Science Museum in Los Alamos. In deze laboratoriumstad, gelegen op een tafelberg die uitziet over het westernlandschap van de Rio Grande en de Sangre de Cristo-bergen in de Amerikaanse woestijnstaat New Mexico, is de atoombom geconcipieerd. In het museum is een permanente tentoonstelling gewijd aan Robert Oppenheimer's Manhattan Project dat in 1945 leidde tot de eerste kernexplosie. De atoomwapenwedloop die op dat startschot volgde, is met mock-ups van kernkoppen, video-voorstellingen en maquettes verlevendigd. Een kruisraket hangt met staaldraden aan het plafond van de aula, waar joelende schoolklassen blikjes Fanta uit een automaat trekken.

In het gebouw zijn niet alleen exposities over Amerika's nationale, martiale trots te vinden. Getuige veel vitrines, wordt de kernwapenexpertise sinds het eind van de Koude Oorlog vooral ten dienste gesteld van de Verenigde Naties. Die kan hiermee geheime programma's van `schurkenstaten', zoals Irak en Libië, voor de productie van massavernietigingswapens opsporen.

En met de Russen is tegenwoordig alles koek en ei. Dat bewijst de tijdelijke tentoonstelling over de hartelijke contacten tussen de Amerikaanse `nationale laboratoria', de hele archipel van nucleaire onderzoeks- en productiecentra waarvan Los Alamos, Lawrence Livermore en Sandia de belangrijkste zijn, en hun Russische zusterinstituten, zoals Arzamas-16 en Tsjeljabinsk-70. Er hangen tientallen foto's met lachende, handen schuddende en bear-hugging voormalige tegenstanders.

Maar al deze ontwapenende activiteiten van het Amerikaanse militair-industrieel atoomcomplex en onderonsjes met de vroegere vijand, lijken bij nader inzien toch vooral publicitaire blikvangers. Want de budgetten van de wapenafdelingen van deze laboratoria liggen op hetzelfde niveau als tijdens het holst van de Koude Oorlog. Rusland en de Verenigde Staten praten sinds afgelopen woensdag over START-3, een verdrag dat een verdere reductie van de kernarsenalen moet bewerkstelligen, tot zo'n 2.500 aan iedere zijde. Dat is een groot contrast met het totale arsenaal van bijna 70.000 kernkoppen dat in de jaren tachtig stond opgesteld. Ook hebben de VS beloofd om nooit meer nieuwe atoombommen te ontwerpen, noch kernproeven uit te voeren. Waarom dan toch nog zoveel geld aan kernwapens besteed? Omdat de inzetbaarheid van het kleine, resterende arsenaal tot in de eeuwigheid gegarandeerd moet blijven, zeggen de laboratoria. En niemand weet nog hoe dat moet. Bommen en bewakers gaan samen de vergrijzing tegemoet.

Kabeltrui en baard

,,Voor wie wil begrijpen waarom we nog steeds dergelijke budgetten hebben, zijn twee data belangrijk: 6 juni 1989 en 24 september 1996.'' Aan het woord is Kent Johnson, directeur van de afdeling Defensie- en Nucleaire Technologieën van het Lawrence Livermore-laboratorium dat in het kustgebergte achter San Francisco in Noord-Californië ligt verstopt. Lawrence Livermore was de thuisbasis van Edward Teller, de ultraconservatieve `vader van de waterstofbom' en in de jaren tachtig groot protagonist van president Reagans `Star Wars'-ruimteschild. Johnson ziet er met zijn kabeltrui en baard uit als milieu-activist. In ieder geval niet als iemand die aan de wieg stond van de B61-mod-11, de atoombom die een paar jaar terug speciaal is ontwikkeld om Iraanse en Noord-Koreaanse ondergrondse opslagplaatsen voor chemische en biologische wapens te laten verdampen.

Op de eerste datum, aldus Johnson, deed de federale opsporingsdienst FBI een inval in de fabriek van Rocky Flats waar plutonium-kernen werden gemaakt. Zo'n plutonium-pit ter grootte van een grapefruit is het hart van een atoomlading. De fabriek bleek de omgeving al jarenlang zwaar te vervuilen. Doordat plutoniumproductie werd gezien als strategisch uiterst belangrijk, kwam het milieu op een tweede plaats. Maar de FBI stelde vast dat de vervuiling zó grootschalig was, dat Rocky Flats dicht moest. Geen nieuwe pits betekent mogelijk een probleem voor de `gezondheid' van de kernarsenalen. Vroeger, zegt Johnson, maakten we voor alle nieuwe generaties wapens steeds nieuwe pits. Deels was die plutonium nieuw geproduceerd, deels werden ze verkregen door de `occasions' om te smelten. Dat kon na de FBI-raid niet meer. Van dit begrensde aantal plutoniumkernen zijn de verouderingsprocessen niet bekend. Misschien gaan ze wel roesten en maken ze de atoombommen tot blindgangers.

Op de tweede datum die Johnson noemt, 24 september 1996, zette president Bill Clinton zijn handtekening onder het internationale verdrag over het verbod op kernproeven, het Comprehensive Test Ban Treaty, CTBT. Kernproeven zijn niet alleen nodig voor het ontwikkelen van nieuwe kernladingen – iets dat Rusland en de VS dus hebben beloofd na te laten – maar ze moeten ook worden uitgevoerd om te kijken of de huidige bommen nog wel naar behoren functioneren. ,,Geen nieuwe pits. En geen proeven. Dat betekende'', zegt Johnson, ,,dat twee belangrijke instrumenten voor het handhaven van een modern arsenaal waren weggevallen.''

Geloofwaardig arsenaal

Ondanks het einde van de Koude Oorlog hebben de VS nooit de doctrine van de nucleaire afschrikking laten varen. De nuclear triad, de drie pilaren waarop de nucleaire afschrikking rust, moet gehandhaafd blijven. De drie pilaren, dat zijn allereerst de kernraketten die staan opgesteld in silo's in het midden-westen van de VS, ten tweede die raketten die door onderzeeërs kunnen worden afgevuurd en ten derde de atoombommen die door strategische bommenwerpers boven het doel moeten worden afgegooid. Een dreigende erosie van deze afschrikking door een langzaam wegroestend arsenaal is voor de Amerikanen net zo onacceptabel als tijdens de Koude Oorlog. De mogelijkheid van een herrijzende Sovjet-Unie of een vijandig China wordt uitdrukkelijk opengehouden.

Om toch een geloofwaardig kernarsenaal te houden, hebben de kernwapenlaboratoria het zogeheten Stockpile Stewardship Plan afgekondigd. Volgens dit program moeten alle kernwapens jaarlijks een certificaat van volledige inzetbaarheid ontvangen. Het gaat hier niet om oppoetsen, het `rentmeesterschap' van de kernwapenvoorraad voorziet in de ongelimiteerde houdbaarheid van al die kernwapens. Voorlopige kosten van het `stewardship'-program: 45 miljard dollar over tien jaar. En ziedaar, aldus de nationale laboratoria, de verklaring van de onveranderde hoogte van de wapenbudgetten.

Dat geld gaat onder andere zitten in gloednieuwe apparatuur, die óf het verouderingsproces van de atoomladingen moet volgen óf nodig is om kernproeven te simuleren. De belangrijkste, duurste apparatuur wordt gehuisvest in drie nieuwe instituten die nog in aanbouw zijn, gelijkelijk verdeeld over de drie laboratoria. Zo moet in Sandia een supercomputer verrijzen, die vele malen sneller berekeningen kan uitvoeren dan de bestaande computers. De grotere rekenkracht is bedoeld om kernexplosies te simuleren en is dus onontbeerlijk voor de belofte om geen kernproeven meer uit te voeren. In Lawrence Livermore wordt de laatste hand gelegd aan de zogeheten National Ignition Facility, NIF. Dat is een bundeling van 192 lasers die, wanneer `afgevuurd', de temperatuur en druk in een speldenknopgrote ruimte kan laten oplopen tot kernexplosiehoogte. Ook daarmee zijn dus kernproeven na te bootsen.

Los Alamos is niet overgeslagen bij de verdeling van de miljarden. Op de tafelberg is een apparaat in aanbouw dat met behulp van röntgenapparatuur een beeld kan vormen van de reacties die binnenin een detonerende atoombom plaatshebben. Bijvoorbeeld het effect van verouderde onderdelen op de explosieve kracht van een kernkop kan hiermee worden bepaald.

`Stewardship' of niet, dat nog steeds veel geld naar het kernarsenaal wordt gesluisd, heeft op veel plaatsen in de VS beroering gewekt. Bijvoorbeeld in de noordelijke stadswijk van Santa Fe, in het huis van Hank Daneman, lid van de Los Alamos Citizens' Advisory Board, een instantie die alle activiteiten van het laboratorium kritisch volgt. Daneman is gepensioneerd, maar heeft jarenlang als wiskundige voor de nationale laboratoria gewerkt, waaronder Los Alamos. Vanaf het platte dak van zijn in pueblostijl opgetrokken woning, zijn 'snachts in de verte de knipogende lichtjes van Los Alamos te zien, meer dan dertig kilometer verderop.

Een klein deel van het werk dat oorspronkelijk in het intussen gesloten Rocky Flats is gedaan, beweert Daneman, is naar Los Alamos overgebracht. Het omsmelten van plutonium en de kleinschalige hervatting van de pit-productie ten behoeve van het stewardship-program heeft, het milieuschandaal in Rocky Flats in gedachte, in de verre omtrek van Los Alamos alarmbellen doen afgaan. ,,Het zou niet voor het eerst zijn dat er iets mis gaat bij de productie van de pits. Bij een brand eind jaren zestig in Rocky Flats is naar schatting duizend kilo plutonium vrijgekomen.'' Wat nog grotere zorgen baart, is dat plutonium en andere hoogradioactieve materialen, zoals atoomafval, dwars door Santa Fe zullen worden vervoerd. De konvooien zijn zwaar bewaakt en zullen alleen 'snachts gaan rijden, maar ,,in de berekeningen van het ministerie van Energie is geen rekening gehouden met terroristische aanslagen, bosbranden, aardbevingen en andere variabelen''.

Mininukes

Ook twijfelen veel Amerikanen aan de werkelijke intenties van het stewardship-programma. Los Alamos zou in het geheim hebben gewerkt aan `mininukes', geminiaturiseerde kernbommen met een geringe explosiekracht. De ontwikkeling van dat soort wapens is bij verdrag met Rusland verboden. In Los Alamos doen ze het gerucht luchtig af als een gedachte-experiment dat nooit de tekentafel verlaten heeft.

In de pers is ook een hele strijd gevoerd over die bom die diep in de aarde kan doordringen. Pas in 1997 werden deze in het arsenaal opgenomen: jaren na de belofte om geen nieuwe bommen in het arsenaal op te nemen. Was het nu een `nieuwe' bom, die in strijd met president Clintons belofte was ontwikkeld? Of was het slechts een aangepaste versie van een `gewone' atoombom? Een nieuwe functie betekent een nieuwe bom, zeiden de critici. Woordvoerder Johnson, als hoofd van de afdeling Defensie en Nucleaire Technologieën van Lawrence Livermore nauw betrokken bij de ontwikkeling, is het daar vanzelfsprekend niet mee eens. ,,Het inwendige van de bom is exact hetzelfde gebleven. Alleen het omhulsel is van harder materiaal gemaakt.''

Het zijn vooral de onderzoekers van de laboratoria zèlf, die kanttekeningen maken bij de haalbaarheid van het `rentmeesterschap'. Twijfel bestaat vooral over de jaarlijkse certificering waarop het stewardship mikt, waarbij iedere kernlading in het arsenaal voor een jaar paraat moet worden verklaard. Johnson: ,,Niemand weet wat de maximale houdbaarheidsdatum van een kernbom is. Geen enkel kernwapen is ontworpen om eindeloos lang mee te gaan.'' In 2003 zal de gemiddelde leeftijd van een kernkop twintig jaar bedragen. Nu al zijn er problemen met de oude plutonium. Door het radioactief verval ontstaan in de pits heliumbelletjes. De porositeit die hiervan het gevolg is, kan de yield, de explosieve kracht van de koppen, verkleinen. Wat nu de precieze effecten zijn van dit soort ouderdomsverschijnselen weet Johnson ook niet. Dat moet al die nieuwe apparatuur gaan uitwijzen. En als hij het wist, zou hij het niet zeggen, want ,,stel dat alle kernkoppen van het type dat op onderzeeërs staat opgesteld door roest of iets anders het niet meer doen, dan valt één pilaar van de triad weg en rust de nucleaire afschrikking alleen nog maar op de bommenwerpers en de intercontinentale raketten''.

Curtis Hines is directeur van het Centrum van Systeemanalyse van het Sandia-laboratorium, dat aan de rand van Albuquerque ligt, ook in New Mexico. Tussen de verspreid liggende gebouwen tuimelen tumbleweeds. Sandia heeft zich sinds de oprichting in 1945 vooral toegelegd op de ontwikkeling van niet-radioactieve componenten van de kernladingen, zoals besturing, radarapparatuur die de hoogte meet en veiligheidssystemen die ervoor zorgen dat een atoombom bij een vliegtuigongeluk niet per ongeluk kan afgaan.

Hines is het met Johnson eens. ,,Het `stewardship' moet de levensduur van de bommen naar `oneindig' verschuiven. Er worden immers geen nieuwe aangemaakt.'' En dat is dus lastig, vindt ook Hines. Atoombommen, zegt hij, laten zich goed vergelijken met televisietoestellen. ,,Als je een tv uit de jaren zeventig oneindig aan de praat wil houden, loop je ook tegen allerlei barrières op: rotte bedrading, reserve-onderdelen zijn nergens verkrijgbaar. En misschien verandert een oude printplaat uiteindelijk wel in pindakaas. Weten wij veel.'' Soms moeten daarom oude onderdelen worden vervangen door nieuw gefabriceerde. Maar dat maakt de grens tussen `nieuw ontwikkeld' – verboden – en `gereviseerd' – wel toegestaan – weer onduidelijk. Hines brandt zich niet aan de vraag waar hij zelf de afbakening van dit `grijze gebied' ziet. Het is in ieder geval een geluk bij een ongeluk, merkt Hines op, dat in kernladingen nauwelijks bewegende delen zitten. ,,Het leger test namelijk altijd alles wat beweegt net zolang tot het stuk is.''

Vergrijzende kennis

Behalve dat de kernladingen zélf verouderen, vergrijst ook de atoomkennis en het personeel. Steeds minder personeel zal zich nog herinneren hoe proeven werden gedaan en nieuwe wapens werden ontwikkeld. ,,We hebben wel eens uitgerekend dat alle kernwapentechnologen ter wereld, die het proces van uraniumerts tot vallende bom onder de knie hebben, precies in een touringcar passen'', zegt Johnson. Het personeelsbestand vergrijst zienderogen. In 2003 zal de helft van de huidige kernwapentechnologen met pensioen zijn.

De nationale laboratoria verliezen bij nieuw aan te trekken personeel ook aan aantrekkingskracht, wanneer dat uitsluitend nog bezig zal zijn met het beheer van databanken met blauwdrukken en het aan de praat houden van almaar ouder wordende kernwapens.

Het recente geval van spionage door China heeft voor de werving van toekomstig personeel weinig goeds gedaan. Daarbij werd een medewerker van Los Alamos met Chinese achtergrond ervan beschuldigd atoomgeheimen aan zijn land van herkomst te hebben verklapt. Het blijft onduidelijk wat de man nu precies gedaan heeft. Helemaal niets, zegt China. Zo ongeveer al onze atoomgeheimen doorgebriefd, zegt het Amerikaanse eindrapport dat de speciale commissie-Cox over de kwestie opstelde. Feit is dat de verdachte Wen Ho Lee niet in staat van beschuldiging is gesteld.

Intussen zijn al maatregelen voorgesteld die de vrije communicatie tussen de onderzoekers in de toekomst zal hinderen.

Contacten met het buitenland zullen dan haast niet meer mogelijk zijn. De vroegere directeur van Los Alamos, Siegfried Hecker, zei in een voordracht voor zijn voormalige collega's naar aanleiding van de spionagekwestie dat zoiets als een Manhattan Project in de toekomst niet mogelijk zal zijn als die draconische restricties worden ingevoerd. Veel wetenschappers die het Manhattan Project in de jaren veertig mogelijk maakten, waren nota bene buitenlanders: Enrico Fermi bijvoorbeeld, een Italiaan, Edward Teller, een Hongaar, Niels Bohr, een Deen. Ook Johnson zegt dat ,,het moeilijk is om goede wetenschap in isolement te bedrijven''. Twee weken geleden was er zelfs sprake van een plan om alle faciliteiten die van doen hebben met kernwapens onder te brengen in een speciale, zwaar beveiligde organisatie, ressorterend onder het Pentagon, met een generaal aan het hoofd. Nu nog vallen de laboratoria onder het civiele ministerie van Energie, dat nu alles bestiert wat met nucleaire zaken te maken heeft.

Over draconisch gesproken. John Shaner, directeur van het Center for International Security Affairs in Los Alamos, die de rondleiding door het Bradbury museum geeft, wordt halverwege de rondleiding weggeroepen wegens `crisisoverleg'. Twee dagen later staat in de New York Times waar die spoedvergadering toe had geleid. De directie van Los Alamos bleek het hele computernetwerk, waarop de duizenden medewerkers hun dagelijks werk doen, platgelegd te hebben. Dit omdat de contraspionagedienst vreesde dat de Chinese spionnen bestanden aan het `downloaden' waren. Zoiets past niet echt in een wervingscampagne.

Als de VS voor de mogelijkheid staan om óf een arsenaal te krijgen waarvan de bruikbaarheid twijfelachtig is, óf verdragen schenden en beloftes moeten breken, bestaat over de keuze weinig twijfel. Dan gebeurt het laatste. De kleine lettertjes van het CTBT verraden al dat het verdrag uiteindelijk toch niet meer is dan een intentieverklaring. Daarin staat te lezen dat de ondertekenaars in geval van supreme national interest de kernproeven weer kunnen hervatten.

Johnson: ,,In 2003, het laatste jaar van het stewardship-plan, moeten we kunnen zeggen of de plutoniumproductie opnieuw moet worden opgestart.'' En dan moet ook alle nieuwe peperdure apparatuur bewezen hebben te werken. Veel tijd voor kinderziektes van die nieuwe installaties is er dus niet. Daarbij komt nog dat het arsenaal zelf geen onverwachte ouderdomsgebreken moet gaan vertonen die de inzetbaarheid ook maar op de geringste manier compromitteren en dus de nucleaire afschrikking ondergraven.

Inderdaad, meent Johnson, misschien moeten we toch ook weer kernproeven gaan doen. Over de kansen daarop laat hij zich liever niet uit. Ergens tussen verwaarloosbaar en fifty-fifty zegt hij na enig aandringen. ,,Laat ik het zo zeggen: ik ben blij dat ik niet in de schoenen van de nieuwe president sta.''

Met gloednieuwe apparatuur wordt het verouderingsproces van de atoomladingen gevolgd

Geluk bij een ongeluk dat er nauwelijke bewegende delen in kernwapens zitten