KLASSIEKE THERAPIE HOOIKOORTS BLIJKT LANGDURIG HOUDBAAR

Steeds meer mensen lijden in de zomermaanden aan hooikoorts. De term hooikoorts is misleidend. De patiënten zijn niet allergisch voor hooi en krijgen ook geen koorts. Zij reageren op de aanwezigheid van pollen in de lucht. Meestal betreft het pollen van grassoorten en die zijn vooral in de hooitijd (mei-juli) uitbundig aanwezig. Pechvogels krijgen echter al in februari last omdat ze allergisch zijn voor het pollen van de zwarte els. De meest voorkomende symptomen bij hooikoorts zijn een loopneus, kortademigheid, jeukende ogen en huid en in ernstige gevallen astma. Anti-hooikoortsmiddelen verminderen de symptomen, maar werken niet altijd even goed.

Daardoor blijven sommige patiënten aangewezen op de klassieke behandeling van hooikoorts. Deze is in 1911 voor het eerst beschreven, nadat ontdekt was dat patiënten met hooikoorts minder last van symptomen hadden na injectie van een graspollenextract. Dit type behandeling, bekend als immuuntherapie of desensibilisatie, wordt in verfijnde vorm nog steeds toegepast. Door de voortdurende blootstelling aan een allergeen went de afweer daaraan. De allergische reactie verdwijnt doordat het immuunsysteem andere cellen en signaalstoffen gaat activeren op het moment dat een allergeen in het lichaam opduikt.

De therapie is nogal belastend. Gedurende drie tot vier jaar wordt een pollenextract onderhuids ingespoten. Aanvankelijk worden wekelijks opklimmende doses toegediend. Als de maximale dosis is bereikt wordt geleidelijk minder vaak geprikt. De moeite loont: de symptomen verdwijnen of nemen sterk af.

Britse onderzoekers onderzochten of de behandeling beklijft, of dat het afweersysteem na enige tijd weer in zijn oude streken terugvalt (The New England Journal of Medicine, 12 augustus). Zij onderzochten 32 hooikoortspatiënten die tussen 1988 en 1992 een immuuntherapie ondergingen. Vanaf 1992 kregen zestien patiënten een onderhoudsdosis pollenextract en zestien een placebo-injectie. De immuuntherapie van de eerste groep werd dus voortgezet, die van de tweede beëindigd. Patiënten noch artsen wisten in welke groep zij zaten. Vijftien hooikoortspatiënten zonder immuuntherapie dienden als controle. In de jaren daarop hielden alle deelnemers bij of zij last van symptomen hadden gehad en er medicijnen tegen hadden genomen. Veranderingen in het afweersysteem werden bijgehouden aan de hand van enkele huidmonsters.

In 1995 bleek dat de patiënten die een immuuntherapie hadden gevolgd veel minder problemen hadden gehad dan de ongelukkigen in de controlegroep. Het maakte nauwelijks verschil of de behandeling in 1992 was gestaakt of voortgezet. Het verdwijnen van de symptomen hing duidelijk samen met veranderingen in de afweercellen van de huid. Dit stemt de onderzoekers optimistisch. Blijkbaar kan de immuuntherapie de allergische reactie jarenlang, mogelijk blijvend, aan banden leggen. Dat wekt verwachtingen voor de toepassing ervan bij kinderen, waarbij de eerste symptomen van hooikoorts zich aandienen.

(Huup Dassen)