Hollands Dagboek: Sven-Ingvar Andersson

De van oorsprong Zweedse landschapsarchitect Sven-Ingvar Andersson woont en werkt sinds eind jaren vijftig in de Deense hoofdstad Kopenhagen. In 1992 nodigde Amsterdam hem uit om het ontwerp te maken van het vernieuwde Museumplein. Morgen, op Anderssons 72ste verjaardag, wordt het plein officieel geopend.

Woensdag 11 augustus

Het wordt een lange, drukke dag, dus laat ik maar meteen wat aantekeningen maken voor dit dagboek. Een frisse, koele ochtend is een goed begin.

Doordat wij landschapsarchitecten ons verwant voelen met de flora, doet het me goed dat het snikhete, droge weer achter de rug is. Ik had te doen met de gekwelde bomen, waarvan al in juli, zeker twee maanden te vroeg, de bladeren verkleurden. Het was niet best dat een groot deel van de versgeplante kersenbomen op het Museumplein stierf.

In normale omstandigheden zou dat al erg genoeg zijn geweest, maar nu! De bomen waren een gul geschenk van een comité van Japanse vrouwen ter herdenking van vierhonderd jaar diplomatieke betrekkingen tussen Japan en Nederland. Ik hoorde dat men zich genoodzaakt had gezien zich in Japan te verontschuldigen voor het verrassende verschijnsel dat het lover van een aantal kersenbomen niet meer te onderscheiden was van dat van eiken. Ze zullen uiteraard worden vervangen in de tijd van het jaar waarin kersenbomen het liefst worden geplant. Volgend voorjaar al zal niet ver van de nieuwe vleugel van het Van Gogh Museum een wolkje roze kersenbloesem te zien zijn, bij wijze van hommage aan de schilder die daar zo dol op was. In het museum is de bloesem al volop aanwezig: aan losse bomen in tuinen, als bosje in het open veld of aan één enkele tak in een glas water.

Ik hoop maar dat de bomen zullen gedijen naast het meesterlijke gebouw van Kurokawa. Niets wat nu of later nog op het Museumplein een plaats krijgt, zal Kurokawa's kunstwerk ooit kunnen overtreffen.

Ik zie uit naar het samenspel van de fragiele bloesem en de solide granieten muren.

Lieve hemel, de tijd vliegt. Om negen uur moet ik op kantoor zijn, want ik moet erbij zijn wanneer mijn bureau wordt verplaatst naar een rustiger deel van het gebouw. Ook moet ik materiaal bij elkaar zoeken voor een presentatie van het Museumplein-project voor een groep Deense collega's vanavond. En dan zijn er nog andere dringende zaken...

Donderdag

Het was gisteravond aardig om vragen over het Museumplein te beantwoorden en er nog eens aan herinnerd te worden hoe veelomvattend, hoe breed deze opdracht was: van het stedenbouwkundig concept, dat wij samen met Stephan Gall van Quadrat in Rotterdam hebben ontwikkeld, via de hoofdlijnen van de grote ondergrondse parkeergarages en de algemene inrichting van het terrein, tot aan de vormgeving van het plaveisel, de vijver, de fontein en het straatmeubilair – en niet te vergeten de supervisie over de bouw zelf.

Mijn collega's hadden niet gedacht dat het plein zó groot was. Dat bood mij een goede gelegenheid om op te merken dat het eigenlijk helemaal geen plein is, maar – nou ja, ik noem het het liefst gewoon een Museumplein. Het enige. Het is uniek in zijn relatie tot de stad, tot de naaste omgeving en de culturele instellingen, en in zijn geschiedenis. Je moet niet proberen het onder te brengen in een soort classificatie van openbare ruimten. Het doet een beetje denken aan de prato in Pisa, maar de gelijkenis is slechts uiterlijk – de functies zijn heel verschillend.

In elk geval zullen deze collega's binnenkort kennismaken met het plein, want zij hebben besloten om op 22 augustus voor de `opening' naar Amsterdam te gaan. Als het die dag niet regent, krijgen zij het te zien – of misschien ook niet, als er erg veel mensen komen. Maar dan zullen zij kunnen zien hoe het sociaal functioneert.

Openbare ruimten zijn – ongeacht hoe ze er uitzien – in de eerste plaats bestemd voor mensen. Zeker, het is een artistiek beeld, een eenheid van vormen, materialen en grootteverhoudingen, maar eerst en vooral toch een ruimte voor mensen, de hele dag, het hele jaar, nu en in de toekomst.

Vrijdag

Ik sta niet graag om 5 uur 's morgens op, maar vandaag moest het wel, om tijdig op het vliegveld te komen voor de reis naar het vakantieoord Åre in de Zweedse bergen. Mijn vrouw en ik komen daar jaarlijks bijeen met acht stellen vroegere studiegenoten.

Het Museumplein is 1400 kilometer van hier. Ik word in beslag genomen door familienieuwtjes van het afgelopen jaar, de belevenissen en de lichamelijke toestand van gepensioneerde mensen, en door het weerbericht.

Ik moet me nu gaan kleden voor het diner. Wat er op tafel komt? Nou, de plaatselijke elandbiefstuk met cranberry's lijkt mij wel wat.

Zaterdag

De toeristen in dit bergland komen uit Midden-Europa, maar ook uit Nederland. Zij willen hier wilde dieren zien, of tenminste de wilde natuur ervaren, dat wil zeggen natuur die geen duidelijke sporen van menselijk ingrijpen draagt. Dichte wouden, steile bergen, kolkende rivieren en stille meren onder hoge luchten.

Wij zetten het allemaal op de foto. Wat je niet op de foto kunt meenemen is de herinnering aan de zuivere, geurige lucht. En het licht. Nog een eind verder naar het noorden krijg je ook de middernachtszon te zien, maar hier, ruim vijfhonderd kilometer ten noorden van Stockholm, is de dag ook al helderder en langer dan in Kopenhagen of Amsterdam.

In de zogenaamde beschaafde wereld moeten wij het hebben van andere attracties, waar de mensen hier in het noorden juist weer naar uitzien. Kroegen en schouwburgen zijn schaars hier in de bergen.

Wanneer wij deze geliefde natuur naar de stad brengen, moeten wij haar temmen. Naturalistische nabootsingen van elementen uit de wilde natuur werken niet. Naast het Rijksmuseum moeten meren vijvers worden – bomen vormen lanen in het museumbosje, en een groene glooiing met grazend vee neemt de vorm aan van een ezelsoor!

Is alle landschapsarchitectuur en tuinkunst natuur die door middel van vormgeving getransformeerd is tot stedelijke kunst?

Is ook de lichtlijn op het Museumplein getransformeerde natuur? Wist ik het maar. Ik weet dat deze vierhonderd meter lange sliert koel licht bedoeld is om de Van Baerlestraat te kruisen en door te lopen op het Concertgebouwplein. Ik weet ook dat hij er is om de dominante Rijksmuseum-as te doorbreken. En ik weet dat hij 's nachts, wanneer alle mensen van het plein verdwenen zijn, zal communiceren met de Melkweg. Maar is het ook getransformeerde natuur? Misschien is het een getransformeerde droom.

Zondag

Misschien verbeeld ik het me, maar het lijkt of de mensen hier in de bergen qua bouw bij het landschap passen. Ze zijn klein van stuk, met een prachtig bottenstelsel en gespierde benen. Montesquieu heeft eeuwen geleden de theorie geformuleerd dat de volksaard een afspiegeling is van de plaatselijke natuur. Jarenlang zijn dat soort ideeën niet politiek correct geweest, maar het is een feit dat de Deense en de Nederlandse mentaliteit even sterk op elkaar lijken als het Deense en het Nederlandse landschap.

Dat betekent ook dat het voor mijn hoogst efficiënte assistent Henrik Pøhlsgaard en mij gemakkelijk was om samen te werken met alle Nederlanders die bij het project betrokken waren (de adressenlijst telt dertig namen).

Politici in alle vormen en kleuren, functionarissen op alle mogelijke niveaus, en twee opeenvolgende managementorganisaties – Project Management Bureau en Arcadis – zijn ons ontvankelijk en positief tegemoet getreden.

Alleen enkele ondergronds opererende geldwolven en een paar verkeersplanners hebben wat moeilijkheden veroorzaakt, meer door hun diepgewortelde, beroepsmatige overtuiging dat geld en verkeer belangrijker zijn dan wat ook, dan om bijvoorbeeld persoonlijke redenen.

Als gevolg van deze belangenconflicten hebben wij ook een keer onenigheid gehad met de politici. Daardoor is de uitgang van de parkeergarage nu zo gesitueerd dat de relatie tussen het eigenlijke Museumplein en het Concertgebouwplein verstoord is. Over het geheel genomen was onze indruk echter zeer positief. Terwijl ik op lunchbijeenkomsten bakken koffie en enorme hoeveelheden karnemelk dronk, onderhielden alle betrokkenen – steeds glimlachend en ontspannen – mij beleefd in het Engels over het weer, de technische problemen en de jongste juridische ontwikkelingen.

Maandag

Diep in Zweden – ik ben nu weer terug in Kopenhagen – zien de steden er niet veel anders uit dan meer naar het zuiden in Europa; de straten zijn wat wijder, om 's winters de sneeuw kwijt te kunnen. Maar de auto's zijn hetzelfde, net als de reclame en de kleding. Made in Hong Kong, voor een internationaal publiek.

Alleen op het platteland heb ik nog wat ensembles gezien met authentieke, lokale vormen, in harmonie met de omgeving. Houten bouwsels, even vrij van de grond, tegen het vocht en het ongedierte. Zilvergrijs, maar met een oppervlak zo glad als Indiase zijde. Kleine gebouwtjes vaak, één voor iedere functie, die een soort Afrikaanse kraal vormen rond een met gras begroeid erf. Allemaal op een ruime open plek in het bos, met zijn reusachtige bomen. De wanden zijn van hout, net als binnen alle meubels en werktuigen. Die grote, gapende houten vaten, waarin de room snel naar het oppervlak stijgt!

Tot mijn verrassing ontdekte ik analogieën met mijn werk in Amsterdam. Een groen veld met gebouwen eromheen is meer een archetype dan een analogie, maar het is een belangrijk archetype, de kiem van de afbakening van de ruimte. Ruimte om in te leven, niet alleen in de huizen maar ook tussen de gebouwen.

De analogie betreft meer de materialen. Ik heb geprobeerd om het uiterlijk van Amsterdam trouw te blijven. Klinkers als plaveisel, zoals al eeuwen is gedaan – zoals te zien is op die verrukkelijke achterplaatsjes van Pieter de Hoogh – en de blauwe hardsteen die traditioneel overal werd gebruikt waar baksteen moest worden aangevuld met natuursteen.

Ik geloof dat ik Amsterdam ook recht heb gedaan door het Museumplein te beschouwen als een open plek in de stad – een wederzijds stimulerend contrast met de intiem-dichte bebouwing die de oude stad kenmerkt – een ruimte waar je de sterren kunt zien. En de lucht, die Van de Velde en Rembrandt zo goed begrepen.

Dinsdag

Ik moet met Lise praten over de twee cascades voor het grote bankcomplex bij de haven. Als wij dat karwei niet nu, meteen bij het begin, zorgvuldig plannen, kan het makkelijk verkeerd lopen. Zij doet het heel goed, maar ik ben erg benieuwd hoe het zich zal ontwikkelen.

De bouwcommissie in Kolding verwacht deze week een voorstel voor een granietplaveisel voor de hele stad. Hopelijk heeft Jacob mijn schetsen toonbaar gemaakt, voor mij en voor de commissie.

Ik was nogal optimistisch toen ik toezegde dat enkele correcties voor de Zweedse stad Norrköping vrijdag zouden worden opgestuurd. Marianne en Susanne zullen moeten toveren.

Henrik gaat één dag voor mij naar Amsterdam, om met de trouwe Van der Horst van Arcadis een paar aanvullende werkzaamheden te bespreken. Omdat ik morgen naar Ronneby in Zweden ga om ons plan voor het universiteitsplein te presenteren, is vandaag de laatste gelegenheid om met hem te overleggen.

Woensdag 18 augustus

Ik zit in de trein van Ronneby naar Malmö. Reizen met de trein is heerlijk ontspannend: drie uur lang dezelfde comfortabele stoel, met geen andere onderbreking dan de catering die langskomt. Je laat je gedachten naar believen ronddwalen. Ze gaan vanzelfsprekend uit naar Amsterdam, wie let ze. Binnen één minuut zijn wij samen op de zonnige glooiing van het ezelsoor geweest en 's nachts in het donkere hart van het grote grasveld. Wij hebben een trendy drankje gebruikt in de Cobra Bar en een stil moment van bezinning gehad bij het Ravensbrück-monument. Wij hebben vanuit de foyer van het Concertgebouw naar de lange lichtlijn gekeken, en in de grote vijver onze warme voeten gekoeld – en zijn meteen daarop verdreven door enthousiaste schaatsers. Thee en een broodje kaas, alstublieft.

Kan ik mij voor de openingsceremonie informeel kleden, zoals ik gewend ben? Ik denk het wel.

Vertaling Jaap Engelsman

    • Sven-Ingvar Andersson