Een dom stereotype

De natuur zit vol mooie regelmechanismen voor beleven en gedrag. Bijvoorbeeld ook voor wat zich tussen ouders en kinderen afspeelt. Dat begint al onmiddellijk na de geboorte. De meeste moeders vinden hun baby niet alleen meteen lief, maar ook mooi, ook als het om een objectief gezien niet mooi kindje gaat. En dat is opmerkelijk, want de kans is groot dat als zij enige tijd daarvoor hadden meegedaan aan een experiment over het beoordelen van babygezichtjes, zij zeer waarschijnlijk allerlei onderscheid hadden gemaakt. In het algemeen blijken mensen namelijk net zo kritisch naar het uiterlijk van baby's te kijken als naar dat van volwassenen. De mooiste baby's zijn die welke het dichtst komen bij het gezichtschema van rond schedeltje, grote ogen, klein neusje, laag mondje en dat allemaal in specifieke afstand van elkaar. Bovendien doet zich een hardnekkig mooie-baby-is-een-lieve-baby-effect voor. Door buitenstaanders wordt van babies die het meest voldoen aan het ideaalbeeld vaker gedacht dat zij vrolijk, makkelijk en gezond zijn. Eenmaal moeder geworden valt deze kritische blik echter weg en komt er een positief vooroordeel voor in de plaats: mijn kind is mooi en lief. Het is zelfs zo dat het als een ongunstig teken kan worden gezien als een moeder met objectieve afstandelijkheid over het gezichtje van haar pasgeborene praat.

Deze onvoorwaardelijkheid wordt als het kind baby-af is geleidelijk minder. Met name om lief gevonden te worden door je ouders moet je op den duur van alles en nog wat doen of juist laten. Ouderlijke liefde krijgt iets voorwaardelijks. Maar veelal nooit helemaal. Ouders blijven valken bespeuren in hun uilen. Als zij bijvoorbeeld gestandaardiseerde schalen en vragenlijsten invullen over hun zoon of dochter blijkt onlogischerwijs dat de meerderheid van vaders en moeders het eigen kind net iets liever, intellligenter en sociaal aangepaster vinden dan het gemiddelde kind dat zij voor ogen hebben.

Deze positieve bevooroordeeldheid is mede oorzaak dat ouders als er problemen zijn met hun kind liever naar omstandigheden wijzen dan bijvoorbeeld naar diens aard. Een wel heel kras voorbeeld van deze stereotiepe reactie stond kortgeleden in deze krant in het Hollands Dagboek van de heer Daan Everts. Op maandag vermeldt hij dat hij zijn zoon Gillis heeft gebeld om hem ,,aan te sporen nog deze eeuw af te studeren''. Kennelijk vlot het niet erg met die studie. Te weinig talent misschien? Of te veel lamlendigheid? Geen sprake van: ,,Het wordt tijd dat hij zich aan de verlammende greep van de grachtengordel ontworstelt. Die misplaatste Amsterdamse zelfgenoegzaamheid houdt handen in de mouw.'' De jonge uil Everts wordt door krachten en machten van buiten afgehouden om de valk te worden die hij in wezen is.

Nu mag vader Everts van zijn zoon denken wat hij wil, maar als hij mij daarin betrekt wil ik graag reageren. Ik voel me namelijk aangesproken, want ik maak deel uit van die zogenaamde grachtengordel. Overigens een benaming die alleen maar gebruikt wordt door mensen die er niet wonen of er niet thuis horen. Het wezen van het leven in de binnenstad van Amsterdam is nu juist dat er in tegenstelling tot in de meeste stadswijken géén homogene bewonersgroep is die je kunt typeren met één enkel begrip.

Ik en velen met mij werken naar behoren, al dan niet met opgestroopte mouwen. Zij het wellicht niet op zo'n spectaculair werkterrein als dat van de VN in Kosovo: ,,Vrijdag. Vroeg op om een nieuwe joggingroute te verkennen. We rennen naar een grotendeels verlaten Servisch dorp, bewaakt door Britse paratroepen. Triest isolement. Kapotgeschoten of verbrande huizen van Albanezen bieden onderweg een al even trieste getuigenis van wat zich hier al eerder heeft afgespeeld.''

Ik heb nu veertig jaar vanuit hetzelfde huis zicht op wat er gaande is en wat er verandert in de Amsterdamse binnenstad, en het is nog steeds helemaal geen wereldje met een ons-soort-mensen-onder-elkaar gevoel. Het is juist de heterogeniteit van alles en iedereen door elkaar, die het wonen en werken in dit stadsdeel rommelig, levendig en inspirerend maakt. Of het zo blijft weet ik niet, maar nu is het in ieder geval nog wel zo.

Natuurlijk zijn er veranderingen. In de jaren vijftig was het allemaal havelozer en vervelozer, want iedereen was armer. Maar voor welke buurt in Nederland geldt dat niet. Wij kunnen ons ook met terugwerkende kracht verbazen over de grote hoeveelheid kleine kruideniers, drogisten, slagers en groenteboeren van toen. Er woonden minder mensen, die minder geld konden besteden dan die van nu en toch hadden de winkels indertijd voldoende nering. Ook zonder delicatessen, traiterieën en belegde broodjes. Maar in welke winkelstraat in Nederland is dat anders gegaan?

Er waren vooral ook minder bezoekers uit de ommelanden die in het weekend dronken, lallend en agressief de stad verloederen. Maar ook daaraan schijnen steden in andere provincies tegenwoordig niet te ontkomen. Er lopen en rijden alle dagen van de week meer proleterige types rond dan vroeger. Maar wie zich door het land in openbare ruimten begeeft en zo af en toe naar de televisie kijkt weet dat heel Nederland proleteriger is dan voorheen.

Het begrip `grachtengordel' is langzamerhand een stoplap voor alles wat vies, voos, zwak, lui en misselijk wordt geacht. Wat een dom stereotype. Wat een denkluiheid ook. De Amsterdamse binnenstad is ondanks alle veranderingen gebleven wat zij van nature is: gewoon mooi.