Edinburgh puilt uit van zes festivals

De rijen voor de kassa's zijn onwaarschijnlijk lang, maar ordelijk. Waar al die mensen, bewapend met mobiele telefoons en rugzakken en gehuld in regenponcho's, precies voor komen is niet altijd duidelijk.

Er zijn op dit moment maar liefst zes festivals gaande in Edinburgh: het met het Holland Festival vergelijkbare International Festival met concerten en opera-, dans- en theaterproducties op het programma, het Fringe-festival waarin alles en iedereen wat zich op een podium kan presenteren zich presenteert, het filmfestival, een boekenfestival dat zich tot de grootste ter wereld rekent, een jazz & bluesfestival en, niet onbelangrijk voor het toerisme, de Military Tattoo, waarvoor de Royal Mile twee keer per dag wordt voorzien van dranghekken. Met een miljoen bezoekers is Edinburgh overvol.

De ene helft van de stad deelt folders uit aan de andere. Het is een even noodzakelijke als zinloze bezigheid. Het voorname `International' is te overzien, maar de Fringe, waarvan de medewerkers beheerst-gepikeerd reageren als je het waagt in hun bijzijn alleen maar de naam van het officiële festival te laten vallen, is een doolhof. Vanaf negen uur 's ochtends tot vier uur in de nacht zijn er voorstellingen te zien, van 8 tot 30 augustus zo'n 1400 in totaal, op ongeveer 200 locaties. Meer dan 15.000 voorstellingen worden er gegeven door meer dan 600 (voornamelijk Britse) groepen, groepjes en eenlingen. Het is waarschijnlijk terecht dat de Schotten beweren, dat dit het grootste kunstenfestival ter wereld is.

Iedere kelder, kerk of loods doet dienst als podium. Slechts een deel is aangesloten bij een centrale kassa, de `echte' theaters zijn dat niet. Die zijn door het jaar heen in heftige concurrentie met elkaar, zelfs tijdelijke verbroedering ten behoeve van het publiek is uit den boze. Proberen telefonisch te reserveren is niet goed voor de gezondheid, men moet er dus heen. In de rij staan, je verbazen over de massale en vooral jeugdige belangstelling op ieder uur van de dag, over de prijzen van een kaartje ook (dat voor de meest ongewisse cabaretproductie al snel 30 gulden kost) - en, aangekomen bij de kassa, de kans lopen te vernemen dat de voorstelling zojuist is uitverkocht.

Het vereist geduld en doorzettingsvermogen, dit mammoetevenement, maar het is wel een festival en niet een déja vu als het Nederlandse Theaterfestival of het Duitse Theatertreffen. De Fringe opereert op dezelfde manier als het Amsterdamse Shaffytheater vroeger deed: alles kan en mag, als het maar beweegt en geluid maakt. De kans dat het gaat zinderen, is dus volop aanwezig.

The Guardian en The Scotsman komen iedere dag met boordevolle supplementen, gemaakt door tientallen medewerkers, die het aanbod afschuimen op zoek naar goud. Dagelijkse hot lists verhogen de koorts, de recensies zijn op Angelsaksische wijze kort, puntig en voorzien van sterren. Een eveneens dagelijks commentaar maakt de tussentijdse balans op. Het commentaar van The Scotsman van gisteren sloeg de spijker op de kop. Avantgarde, zo was de teneur, is ver te zoeken. De schrijver vestigde zijn hoop op het International Festival (tot 4 september) en met name op het retrospectief van choreograaf Mats Ek, dat enkele jaren geleden al in het Holland Festival te zien was. Dans is sowieso een blinde vlek van de theatre-minded Schotten, vorig jaar pas kregen ze voor het eerst de kans zich te vergapen aan Hans van Manens door Het Nationale Ballet uitgevoerde twintig jaar oude meesterwerk Live – dat, naar het schijnt, een belangrijke impuls is geweest voor de Schotse belangstelling voor dans. Deze keer toonde HNB William Forsythes Artifact dat, op opmerkingen over een zekere zielloosheid na, goed is ontvangen.

Dans vergt een oog voor abstractie, dat klaarblijkelijk nog niet erg ontwikkeld is hier. Het gevoel voor vorm beperkt zich tot taal, de voorstellingen die ik tot nu toe zag, zijn eerder geënsceneerde readings dan theater. Ze komen neer op licht-uit-spot-aan, een tafel, een paar stoelen en daarop in tekstbehandeling excellerende acteurs. Rechttoe, rechtaan, met een grote hang naar de verbeelding van het straatgewoel. Representanten van de `Britse golf' van jonge toneelschrijvers als Sarah Kane en Mark Ravenhill krijgen volop navolging. Waarschuwingen over grof taalgebruik aan de ingang van de theaters getuigen ervan. De personages zijn veelal kansarme, losgeslagen jongeren, ten prooi aan criminaliteit, drugs, agressie, onverschilligheid - het Trainspotting-syndroom, zeg maar.

Een voorstelling als Car van schrijver Chris O'Conell, in 1990 onderscheiden met de Fringe First Award voor Glad, lijkt in aanzet verder te gaan dan alleen maar vertoon van eenzaamheid en liefdeloosheid. Hij was geïntrigeerd door wat hij in het programma de `marginalisering van de brave, oplettende burger' noemt. In zijn stuk stelen vier jongeren de auto van zo'n burger, waarna een sociaal werker meer oog lijkt te hebben voor het wel en wee van de dieven dan voor dat van de beroofde. Wat een interessante verkenning zou kunnen zijn van het slachtoffer-dader probleem blijft steken in toch weer die bijna wellustige belangstelling voor het vuilgebekte en het ontspoorde, rijkelijk bediend met stereotyperingen. Een burgerman, dat wil zeggen O'Connell zelf, goes underground – zoiets.

Een ander tendensje op het festival lijkt de zoektocht naar een eigen identiteit, actueel door de instelling van een eigen Schots parlement. Schrijver David Greig gaat er, met The Spectator in een brave enscenering van Philip Howard, helemaal voor naar Parijs in 1720. Het zoeken gebeurt omzichtig.