Defensie moet ambities bijstellen

Het kabinet moet bij het opstellen van de nieuwe Defensienota geen overspannen militaire ambities nastreven en zich daarom niet blindstaren op het ideaal van een internationale rechtsorde, meent Patrick van Schie.

Komende herfst zal het kabinet naar verwachting een nieuwe Defensienota uitbrengen. Het document moet duidelijk maken welke taken de krijgsmacht in de eerste periode van de 21ste eeuw heeft te vervullen en welke middelen daarvoor beschikbaar worden gesteld. Noch de defensiespecialisten van de Kamerfracties noch de diverse krijgsmachtdelen lijken in een staat van nerveuze spanning te verkeren. Het is immers al wel duidelijk – uit het gevoerde beleid en uit de eerder dit jaar gepubliceerde Hoofdlijnennotitie – welke kant de regering op wil. De krijgsmacht als nationale verdedigingsmacht zal verder worden onttakeld. Wat niet wegneemt dat een omvangrijk militaire apparaat op de been wordt gehouden. Dit dient het streven om recht en vrede buiten onze naaste omgeving te brengen. Zo wordt de krijgsmacht dienstbaar gemaakt aan overspannen politieke ambities. Maar hierdoor dreigt zij impotent te worden op het moment dat onze veiligheid aan nieuwe gevaren het hoofd moet bieden.

De NAVO-operatie tegen Servië heeft duidelijk gemaakt, aan wie dat nog niet wist, dat het uitvoeren van een `vredesoperatie' met een humanitair of vredesafdwingend oogmerk betekent dat men zich in een oorlog begeeft. Op zichzelf pleit dit niet voor of tegen zo'n operatie. Maar aan een oorlog kleven nu eenmaal nogal wat risico's, waarvan men goed doordrongen dient te zijn voordat men zich erin begeeft. Zo keert een militaire interventiemacht zich door geweld toe te passen onvermijdelijk tegen een van de strijdende partijen. Daarmee wordt de `vredesmacht' zelf een partij in het conflict. Het is illusoir te denken dat het mogelijk is neutraliteit te bewaren in de verwarrende omstandigheden van een strijdtoneel. Sterker nog, een interventiemacht loopt veel risico om de gebeten hond van alle andere strijdende partijen te worden. De huidige vijandelijke opstelling van de etnische Albanezen in Kosovo tegenover KFOR laat dit eens te meer zien.

Door de jaren heen kennen vredesoperaties maar een matige successcore. Een missie leidt zelden tot de oplossing van het conflict. Een evaluatie uit 1997 van de tot dan toe uitgevoerde vredesoperaties leerde dat zelfs beperktere doelstellingen als uitvoering van het mandaat, indamming van het conflict of beperking van het aantal slachtoffers, in niet meer dan de helft van de gevallen worden bereikt. En ook in die gevallen is het de vraag hoe lang een interventiemacht aanwezig moet blijven om te voorkomen dat het conflict weer in alle hevigheid oplaait. Zal de bevolking in westerse landen over enkele decennia de aanwezigheid van eigen militairen in gebieden als Bosnië en Kosovo nog altijd steunen? Groter is de kans dat de bevolking op het voormalige strijdtoneel de vredesmilitairen tegen die tijd als een bezettingsmacht is gaan ervaren. Want hoe fraai de motieven achter onze aanwezigheid elders ook mogen zijn, op den duur zal de bemoeienis ter plaatse gaan irriteren en zal de roep om volledige zelfbeschikking luider klinken.

Vredesoperaties zijn een directe inbreuk op de nationale soevereiniteit en onschendbaarheid van grenzen. Dat is ook de bedoeling, want nationale soevereiniteit wordt tegenwoordig gezien als een scherm waarachter regeringen slechts aan eigen regels gebonden zijn. Het onder alle omstandigheden respecteren van de nationale soevereiniteit stelt kwaadwillende regeringen in staat de mensenrechten ongehinderd te vertrappen. Maar soevereiniteit is niet alleen een scherm waarachter handelingen die het daglicht niet kunnen velen, verborgen kunnen worden gehouden. Zij is ook een van de weinige principes in het verkeer tussen staten met uiteenlopende binnenlandse systemen, die rust en zekerheid verschaffen. Daarom is de soevereiniteit in de zeventiende eeuw gemaakt tot de hoeksteen waarop de internationale orde rust. Wie aan die hoeksteen morrelt riskeert dat het gebouw van de internationale orde instort. Interventies over en weer, met goede èn minder goede intenties kunnen dan schering en inslag worden. Internationale wanorde zou het resultaat zijn. Geen mensenrecht is daarbij gebaat.

Door de ineenstorting van het Sovjet-blok lijken de mogelijkheden voor de verbreiding van westerse waarden en normen over de wereld onbegrensd. Toch zijn het niet alleen weerspannige, machtsbeluste dictators die onze waarden en normen afwijzen. De waarden die wij als universeel beschouwen, worden ook door brede lagen van de bevolking buiten het Westen wantrouwig bekeken als instrumenten ter bevordering van de westerse hegemonie. Als in het Westen verontwaardiging bestaat over schending van mensenrechten of over oorlogstaferelen, is daarmee nog niet `de wereldgemeenschap' geschokt. Wij moeten er zelfs rekening mee houden dat naarmate machtscentra buiten het Westen aan gewicht winnen, het machtsbereik, waarbinnen westerse waarden kunnen gedijen, krimpt. Daarom doet het Westen er verstandig aan uitermate voorzichtig af te tasten tot waar zijn belangen, inzichten en waarden kunnen worden uitgestrekt zonder in een ernstig conflict met een ander machtsblok te komen.

Welvaart en technologische voorsprong hebben het Westen in militair opzicht een overwicht in het luchtruim en relatieve trefzekerheid met smart weapons bezorgd. Dat is niet hetzelfde als onkwetsbaarheid. De genoemde voordelen zijn bij militaire operaties in onherbergzame gebieden van beperkte betekenis. Bovendien zitten ook onze (eventuele) tegenstanders op hun zoektocht naar meer militaire kracht niet stil. Zorgwekkend zijn vooral hun mogelijkheden op het gebied van massavernietigingswapens en de ontwikkeling van middelen om deze naar hun doel te brengen, zoals lange-afstandsraketten.

Saddam Hoessein is bepaald niet de enige die zich inspant om in het bezit van bruikbare biologische en chemische wapens te komen, waarmee de directe omgeving en binnen afzienbare tijd ook het Westen kunnen worden bedreigd, gechanteerd en bestookt. Tenminste twintig andere landen, die het Westen merendeels niet gunstig gezind zijn (zoals Noord-Korea, Iran en Syrië), ontplooien soortgelijke activiteiten. Waarschijnlijk zal dit aantal groeien, omdat exportcontroleregimes en verdragen ten behoeve van non- en contra-proliferatie niet belemmerend maar hooguit vertragend werken. Een regime dat zijn zinnen op massavernietigingswapens heeft gezet, zal daar met de nodige inspanning aan weten te komen. Hulp van buitenaf – smokkel vanuit de voormalige Sovjet-Unie of leveranties door regimes als dat van Noord-Korea – draagt hiertoe bij, maar is niet onontbeerlijk. Globalisering en Internet zorgen ervoor dat goedopgeleide krachten aan de benodigde kennis kunnen komen. Ook in materieel opzicht kunnen regimes zichzelf voorzien. Zo zijn miltvuurbacteriën, die de grondstof vormen voor een uiterst besmettelijk biologisch wapen, eenvoudigweg uit de uitwerpselen van paarden te halen.

Lange tijd is gedacht dat biologische en chemische wapens onbruikbaar zijn. Hun effecten zijn, omdat zij meestal door de lucht worden verspreid, erg afhankelijk van een onzekere factor als het weer. Veel chemische strijdmiddelen verliezen bijvoorbeeld aan werkzaamheid onder de invloed van kou. Een zonnige dag vermindert het effect van biologische wapens, omdat de bacteriën en virussen direct zonlicht vaak slecht verdragen. Biologische én chemische wapens zijn riskant in het gebruik op het slagveld. Bij een verkeerde windrichting raken de eigen manschappen immers besmet.

Zulke bezwaren wegen echter minder voor een tegenstander die het achterland van de vijand wil treffen. Voor rogue regimes die een slachting willen aanrichten onder de westerse burgerbevolking, en die zich niet al te kieskeurig afvragen of het aantal slachtoffers in de tien- of honderdduizenden komt te liggen, vormen biologische en chemische wapens een uitkomst. De wapens zijn bijvoorbeeld ideaal om mee terug te slaan tijdens ongewenste westerse militaire interventies. Alleen al door met de inzet van zulke massavernietigingswapens te dreigen, kan paniek onder de bevolking in het Westen worden gezaaid en kan de steun voor zo'n interventie worden uitgehold.

In de Hoofdlijnennotitie onderkent het ministerie van Defensie dat massavernietigingswapens al in de nabije toekomst een groot gevaar voor onze veiligheid kunnen gaan vormen. Vreemd genoeg worden hier nauwelijks consequenties voor het beleid uit getrokken. Defensie zou het accent in het veiligheidsbeleid, dat toch bovenal gericht zou moeten zijn op het verschaffen van veiligheid aan de eigen burgers, in sterke mate moeten verschuiven naar het omgaan met het gevaar van een aanval met massavernietigingswapens.

De krijgsmacht dient dan ook in staat te zijn om, in samenwerking met de NAVO-bondgenoten, preventief op te treden tegen staten die ons met massavernietigingswapens bedreigen. Voorts moeten onderzoek en aanschaf van anti-raketsystemen die vijandelijke lange-afstandswapens in een vroegtijdig stadium onschadelijk kunnen maken, de hoogste prioriteit krijgen. Last but not least moet beleid worden ontwikkeld gericht op de bescherming van de burgerbevolking. Vooralsnog meent het ministerie van Defensie te kunnen volstaan met de aanschaf van gasmaskers met betere filters en nieuwe beschermende kleding voor militairen. Maar burgers lopen zeker zoveel risico als militairen.

Het verschaffen van veiligheid tegen externe bedreigingen is niet langer een zaak voor de krijgsmacht alleen. Er dient dan ook een speciaal orgaan te worden opgericht dat de preventie en bestrijding van een met massavernietigingswapens ontketende ramp ter hand kan nemen, en dat activiteiten op dit gebied van militaire en civiele organen (medische diensten, brandweer en politie) gaat coördineren. Burgers en hulpverlenend personeel moeten ook serieus worden voorgelicht over en worden getraind in het omgaan met een aanval met massavernietigingswapens. Middelen voor detectie (van de vaak nauwelijks met onze zintuigen waar te nemen biologische en chemische wapens) en persoonlijke bescherming zouden op ruime schaal beschikbaar moeten worden gesteld. Tevens dienen voorraden van speciale medicijnen en ontsmettingsmiddelen te worden aangelegd. Nederland zou er verstandig aan doen in dit opzicht het voorbeeld te volgen van de VS en Zweden. In die landen worden burgers wèl voorbereid op een ramp die zich nu nog achter de horizon bevindt maar die zich onverwacht snel kan aandienen.

Het ideaal van een internationale rechtsorde ligt allerminst binnen handbereik. Beter dan zich daarop blind te staren kan Nederland zich in zijn veiligheidsbeleid laten leiden door een nuchtere analyse van de gevaren die Nederland vanuit andere delen van de wereld (kunnen gaan) bedreigen. Het meest directe resultaat van ondoordachte bemoeienis met de situatie in gebieden buiten onze naaste omgeving, zou in de toekomst wel eens kunnen zijn dat ons land het gevaar van een aanval met massavernietigingswapens naar zich toe haalt. Ook zonder die bemoeienis valt te vrezen dat wij vroeger of later met dit gevaar te maken krijgen. Het kabinet moet bij het schrijven van de nieuwe Defensienota bedenken dat veiligheidsbeleid geen kwestie is van het zich steken in wespennesten, maar van het vermijden en zonodig adequaat behandelen van wespensteken.

Patrick van Schie is verbonden aan de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD. Voor dit artikel is geput uit het geschrift `Krijgsgerommel achter de kim' dat volgende week verschijnt.