Belgische PCB-meting niet waterdicht

Belgische bedrijven moeten deze maand tienduizenden stukken vlees, eieren, pakken koekjes en potten mayonaise laten controleren op dioxine. Omdat de meetmethode met oplichtende rattencellen nog niet ver genoeg is gecommercialiseerd, controleren de drukbezette laboratoria alleen op pcb's.

HET VETERINAIR comité van de Europese Unie toonde zich begin augustus onverbiddelijk. De Belgische veehandelaren die willen exporteren moeten niet alleen aantonen dat al hun kippen- en varkensvlees dioxinevrij is, ze moeten ook rundvlees laten testen. En alsof dat nog niet duur genoeg is, moet de levensmiddelindustrie ook alle producten met meer dan twee procent dierlijk vet of eieren laten controleren. Dat betekent dat de Belgische laboratoria zo'n veertigduizend vleesmonsters moeten doormeten plus nog eens vele duizenden eieren, potten mayonaise en pakken koekjes. België heeft zich na veel mokken bij de beslissing neergelegd en hoopt nu begin september te kunnen aantonen dat de producten weer veilig zijn, zodat de importlanden geen reden meer hebben Belgisch vlees en levensmiddelen te weigeren.

Dioxine is de giftige stof waar het Belgische vetschandaal afgelopen maanden om draaide. Toch meten de Belgische laboratoria, die hulp krijgen van vier Nederlandse laboratoria, in al die monsters geen dioxine. In plaats daarvan meten ze of de producten besmet zijn met PCB's (polychloorbifenylen). Dat is veel goedkoper. In het vervuilde vet dat begin juni bij vetsmelter Verkest werd getraceerd zijn de dioxines ontstaan door verbranding van PCB's. Omdat maar een klein deel is verbrand, zit in het vervuilde vet vijftigduizend keer meer PCB dan dioxine. De laboratoria meten de zeven meest voorkomende typen PCB – in totaal zijn het er 209 – en beschouwen de hoeveelheid hiervan als een maat voor de hoeveelheid dioxine. PCB meten ze met een massaspectrometer, een veel gebruikte chemisch analyse-methode die stoffen onderscheidt op basis van de massa van ionen. Dioxine kun je met zo'n relatief eenvoudig instrument niet meten omdat dit in een te lage concentraties voorkomt. Je hebt daar een hoge resolutie-massaspectrometer voor nodig. Een monster doormeten op PCB kost 300 gulden. Een dioxine-meting met een hoge-resolutie-massaspectrometer kost 2500 gulden, èn de meting duurt veel langer.

CALUX-METHODE

De Wageningse onderzoekers dr. Ron Hoogenboom en Wim Traag begrijpen dus wel waarom de EU nu voor deze `PCB-methode' heeft gekozen, maar ze hadden liever gezien dat de nieuwe, biotechnologische Calux-methode voor het meten van deze duizenden monsters was ingezet. Het Rijkskwaliteitinstituut voor Land- en tuinbouwproducten (RIKILT-DLO), waar beide onderzoekers werken, screent met de biotechnologische methode een stuk vlees binnen drie dagen op dioxine. Zo'n meting kost nu nog 750 gulden maar, verzekeren de twee onderzoekers, met wat meer automatisering hoeft hij niet duurder te zijn dan de PCB-methode. ``We testen hiermee al een jaar citruspulp uit Brazilië'', vertelt Traag. ``Duitse collega's vonden vorig jaar dat deze grondstof van veevoer verontreinigd was met dioxine. Nu krijgen we uit heel Europa vragen om deze pulp op dioxine te controleren.''

Het RIKILT gebruikt hiervoor tumorcellen uit de levers van ratten. Levercellen, ook die van de mens, bevatten van nature receptor-eiwitten die bijzonder goed dioxine binden. Als onverhoopt dioxine de cel binnenkomt grijpt dit speciale receptor-eiwit het dioxine vast. In die vorm trekt het andere eiwitten aan waarna vervolgens het hele complex aan een specifiek stukje DNA gaat zitten. Door deze binding worden allerlei genen aangeschakeld, bijvoorbeeld genen die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van vreemde stoffen. De rattencellen die het RIKILT gebruikt zijn nogal bijzonder, omdat er behalve deze natuurlijke afweerreactie nog een reactie plaatsvindt. Onderzoekers van de Wageningse universiteit en van een Amerikaanse universiteit hebben achter het stukje DNA waar dit dioxine-receptorcomplex aan bindt een gen gezet van het vuurvliegje, het zogeheten luciferase-gen. Dit vuurvliegjesgen wordt alleen aangeschakeld wanneer er dioxine in de rattencellen zit. En omdat het in de aangeschakelde vorm een reactie kan laten verlopen waarbij licht vrijkomt – vandaar de naam vuurvliegje – is aan het oplichten van de celkweek te zien dat er iets aan de hand is. ``Het is te weinig licht om het oplichten met het blote oog te zien'', zegt Hoogenboom. ``Maar je kunt het wel meten en dan zie je dat tot een bepaalde verzadigingswaarde er meer licht vrijkomt naarmate de dioxine-concentratie hoger is.''

De methode meet niet alleen dioxine. Alle stoffen met ongeveer dezelfde platte structuur als dioxine passen in de receptor. Zoals de giftige platte PCB, die net als dioxine vaak maar een uiterst klein onderdeel vormen van een PCB-mengsel. Maar ook plantenstoffen als indol-carbinol, een natuurlijke verbinding die veel voorkomt in broccoli en spruitjes. Deze plantenstoffen storen de metingen nauwelijks omdat ze al afgebroken zijn bij het voorbewerken van de monsters of snel worden afgebroken door de rattencellen. ``Toch weten we nooit zeker of het echt dioxine is die aan de receptor heeft gebonden'', zegt Traag. ``Daarom combineren we de biotechnologische methode met de chemische analyse-methode. Wanneer de celkweek oplicht, kijken we vaak met de chemische methode wat er precies in zit.'' Ook niet-oplichtende monsters worden, in ieder geval nog zolang de methode niet formeel is erkend, om de tien metingen vergeleken met wat de chemische analyse-methode aangeeft.

Zo'n zeven laboratoria in de wereld hebben inmiddels de biotechnologische methode in huis. Volgens prof.dr. Bram Brouwer, die de methode op de Universiteit van Wageningen ontwierp, hebben flink wat bedrijven belangstelling voor een licentie. Maar dat is te laat voor het meten van al die Belgische monsters. Daar was de PCB-methode het meest voor de hand liggend. Nadeel van die methode is wel, zo vinden de Wageningse toxicologen, dat partijen vlees of eieren hiermee een dioxinevrij certificaat kunnen krijgen terwijl in de partij wel dioxine degelijk kan zitten. Want in het vet van de Belgische vetsmelter Verkest is de dioxine wel ontstaan door verbranding van de PCB's die erin zaten, maar in andere monsters kan de dioxine een andere oorsprong hebben. Kippen kunnen dioxine binnenkrijgen door het pikken in hout dat is behandeld met fungiciden, of door het eten van voer met dioxine-houdend vismeel. Deze dioxine wordt met de PCB-methode gemist. Voor de volksgezondheid is zo'n enkele vergissing niet zorgelijk, maar voor de economie kan dit grote gevolgen hebben. Stel dat een exportland een dioxinevrij certificaat afgeeft, waarna toxicologen uit het importland toch dioxine vinden. De schadeclaims kunnen enorm zijn en de grenzen gaan meteen dicht.

RISICO-ANALYSE

Een wetenschappelijk comité van de EU buigt zich nu over de vraag hoe affaires als die in juni zijn te voorkomen. Het Productschap Diervoeder in Den Haag heeft al een plan klaar. Het wil op de veevoerproductie een zogeheten HACCP loslaten, een risico-analyse van kritische punten. Risico-analisten kijken zo veel mogelijk aan het begin van de keten, dus bij de grondstoffen die naar het veevoer gaan, welke grondstoffen gifstoffen kunnen hebben en hoe groot die kans is. Daarna beslissen ze hoe laboratoria deze grondstoffen kunnen testen en welke normen ze moeten hanteren. Traag en Hoogenboom kunnen zich in die aanpak goed vinden. Hun instituut meet niet aleen alle Braziliaanse citruspulp op dioxine, maar alle grondnoten op de giftige schimmelstof aflatoxine. Met de oplichtende levercellen kan de controle worden uitgebreid. Vetten en ook bijvoorbeeld vismeel, kunnen hiermee routinematig worden gecontroleerd op dioxine-achtige stoffen.

De vraag is vervolgens welke laboratoria in zo'n monitoring-programma een taak krijgen. Het RIKILT meldt zeer ernstige overschrijdingen van de norm aan de overheid, als het bedrijf waarvoor het controleert dat niet zelf doet. Commerciële laboratoria die verder van de overheid afstaan, zullen dit waarschijnlijk niet zo gauw doen. Dat kan klanten kosten, de economische belangen zijn immers enorm.

Het vetschandaal kost de Belgische bedrijven naar schatting meer dan een miljard gulden, er is een minister opgestapt en er staan achtduizend banen op de tocht. Begrijpelijk dat met dergelijke economische belangen er een grote druk op laboratoria rust om de resultaten achteraf te kunnen verantwoorden. Elke handeling, tot met het wassen van het glaswerk, moet nauwkeurig worden gecontroleerd en geregistreerd. Het is geen werk voor sloddervossen. Stel je voor dat je per ongeluk een met dioxine vervuilde erlenmeyer gebruikt, of een monster van een Frans bedrijf verwisselt met dat van een Duits bedrijf.