Zoeken naar vorm

In een serie recensies van boeken die in het hoogseizoen onopgemerkt bleven, deze week `Familieberichten' van Chantal van Dam.

Meestal is het geen goed teken als romanciers hun verhaal onderbreken om, bij wijze van intermezzo, zichzelf op te voeren als een met de materie worstelende schrijver. Frans Pointl deed het in zijn verhalenbundel Rijke mensen hebben moeilijke maten, Marcella Baete kan het tegenwoordig in geen enkele roman meer laten en zelfs een routinier als Mensje van Keulen maakte zich er schuldig aan in haar autobiografische roman Olifanten op een web. De wellicht onbedoelde koketterie van een zichzelf becommentariërende schrijver-aan-de-arbeid werkt storender naarmate de auteur onbekender is. Misschien dat ik me daarom nogal ergerde aan het tweede hoofdstuk van Chantal van Dams roman Familieberichten, waarin ze, onder het kopje `Materiaal en methoden' uiteenzet hoe en waarom dit boek tot stand is gekomen. Zelfs de brief waarin ze haar werkgever in de herfst van 1995 onbetaald verlof vraagt om een boek te schrijven, wordt de lezer niet onthouden.

Van Dam (1951) wil hiermee duidelijk maken dat haar roman over de gruwelijke dood van haar moeder autobiografisch is, maar daar zijn genoeg andere methodes voor. De auteur laat bijvoorbeeld niet na op de achterflap te vermelden dat zij hetzelfde beroep uitoefent als de hoofdpersoon van de roman, die dan geen Chantal maar Solange heet. Beiden werken als bioloog bij een centrum voor natuurbeheer in Wageningen.

Het intermezzo `Materiaal en methoden' heeft een legitimerende functie. Alsof ze een wetenschappelijke nota over de aalscholver schrijft (haar dagelijks werk), zet Van Dam haar aanvankelijke idee voor deze roman uiteen. Ze blijkt te hebben gezocht naar `een dwingende structuur' die eisen stelt waaraan in principe te voldoen is, een structuur die `alleen technisch oplosbare problemen' oplevert en `geen ruimte voor twijfel' laat. Toch liep ze vast, bekent ze, omdat ze `iets heel anders kwijt wou', dan ze van te voren had bedacht. Dat laatste pleit voor haar als schrijfster, maar niettemin schemert door het eindresultaat een vooraf bedachte structuur, een streng schema, waarbinnen alle problemen technisch worden opgelost.

Vijf jaar na de Golfoorlog, die uitvoerig in de media wordt herdacht, gaan de gedachten van de ik-figuur terug naar de dood van haar moeder. Ten tijde van de Golfoorlog verdronk deze ooit zo levenslustige vrouw zich in de Bosbaan van het Amsterdamse Bos. De dochter heeft nooit kunnen begrijpen waarom, maar ze vermoedt dat de oorlog er iets mee te maken heeft. De beelden op CNN, waar haar moeder in de weken voor haar dood geen genoeg van kon krijgen, moeten haar hebben teruggeworpen in een depressie, waardoor ze tijdens de Tweede Wereldoorlog ook al eens was overvallen. Wat volgt is een zoektocht naar het, weinig opzienbarende, `oorlogsverleden' van de moeder, dat wordt vergeleken met de in het heden spelende Golfoorlog.

De roman zet sterk in met het sobere hoofdstuk `De man van mijn moeder', waarin we kennis maken met Solanges stiefvader oom Max, die ook al figureerde in Van Dams novelle Het Maggischip (1991). Inmiddels zit deze oud-Oostfrontstrijder, van wie Solange weet dat hij zo fout als een mispel is geweest, in een verpleeghuis te dementeren.Aan hem heeft ze dus niets bij het reconstrueren van de zelfmoord van haar moeder. Misschien heeft ze hem ook helemaal niet nodig, want als de vertelster een ding duidelijk maakt is het wel dat de getuigenissen van derden weinig of niets toevoegen aan het beeld dat je jezelf van iemand vormt. Hoe Solange ook probeert zich voor te stellen hoe haar moeder als kind was, als jonge vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog, of als geliefde van `oom Max', het lukt haar niet tot deze naïeve figuur door te dringen.

Wat rest, waar ze het mee moet doen, zijn haar eigen waarnemingen, haar eigen herinneringen aan haar moeder, bijvoorbeeld deze, stammend uit haar laatste dagen: `Ze zat in een fauteuil, wiegde haar bovenlichaam heen en weer en zei: ``Help me toch, help me toch', maar haar geest was ver weg, ik kon er niet meer bij. Ik zag haar voor mijn ogen verdrinken zonder dat ik er iets aan kon doen. Ik sloeg mijn armen om haar heen en wiegde met haar mee.'

Mooi, aangrijpend zelfs, zijn de flash backs waarin de moeder gedurende de ijskoude winter van de Golfoorlog vermist was, het wachten, de ongerustheid en uiteindelijk het rampzalige verlossende woord. Maar zo gauw het `meewiegen' met de geliefde moeder of met de onvermijdelijkheid van de gebeurtenissen plaats maakt voor reflectie waarin heden en verleden kunstmatig tegen elkaar worden afgewogen, verliest het verhaal spanning en spontaniteit. Zelfs Van Dams over het algemeen vlekkeloze stijl lijdt onder het krampachtig zoeken naar `technische oplossingen' voor het beschrijven van wanhoop of twijfel. `Er zijn dingen die zo gauw mogelijk wegmoeten', schrijft ze bijvoorbeeld over de verdeling van haar moeders boedel. `Haar hoeden en kleren bijvoorbeeld, die oom Max als hij de slaapkamer opendoet, onder ogen moet komen.' Zulke zinnen, ongrammaticaal en lelijk, ontsieren een roman die in potentie heel behoorlijk is, maar die technisch gezien lijdt aan een te opzichtig streven naar perfectie.

Nijgh & Van Ditmar, 189 blz. ƒ34,90