Wat had justitie nu in handen ?

,,Uit het onderzoek naar de zaak H., ex-directeur van een groot pensioenfonds, is niet gebleken dat betrokkene zijn functie zou hebben misbruikt ten nadele van zijn werkgever.''

De eerste zin van het persbericht van het Amsterdamse Openbaar Ministerie over de miljoenenschikking met een hoofdverdachte in de beursfraudezaak, roept een existentiële vraag op. Waarom is justitie zo slordig? Opzet of toeval? Na twintig maanden onderzoek naar grootschalige en langdurige (11 jaar) fiscale fraude mag een verdachte toch wel met zijn juiste functie, in dit geval adjunct-directeur, worden aangeduid?

Hij was hoofd beleggingen bij het Philips Pensioenfonds, het grootste pensioenfonds (nu 32 miljard gulden vermogen) dat voor een individuele onderneming werkt. Zijn aanhouding (4 november 1997) volgde op diverse arrestaties op 24 oktober, waarvan één in de Amsterdamse effectenbeurs.

De aanhouding van topbelegger H. voedde het vermoeden in de media en de financiële wereld dat justitie en de fiscale opsporingsdienst FIOD kennelijk een netwerk vol financiële fraude aan het oprollen waren. Een vermoeden dat was ontstaan door het grote aantal verdachten en de veelvuldige beschuldiging van het lidmaatschap van een criminele organisatie.

Een typische vorm van beursfraude in deze context is het kopen door beurshandelaren van effecten in de wetenschap dat orders van een grote belegger, zoals een pensioenfonds, volgen. Daardoor kan de koers van de effecten stijgen. De `frontrunner' verdient snel geld en deelt de buit met zijn informant. Bijvoorbeeld op een Zwitserse bankrekening, zoals H. had.

Twee persberichten, waarvan één gezamenlijk met de advocaat van de verdachte, gebruikte het openbaar ministerie vorige week om de schikking met H. voor fiscale vergrijpen bekend te maken. Nee, vormen van beursgerelateerde fraude zijn niet gebleken. Maar kennelijk zijn er wel vermoedens en verdenkingen over effectenhandel met voorkennis (beursfraude) geweest, en ook onderzocht, anders kan justitie moeilijk zeggen dat van beursgerelateerde fraude niets is gebleken.

Het tweede persbericht:,,Ook van de in de publiciteit aan Fred H. toegerekende frontrunning, waarvan hij overigens door justitie nooit is verdacht, is niets gebleken.'' Nee? In het proces-verbaal van zijn aanhouding, 's avonds op het politiebureau van Eindhoven, staan de verdenkingen: naast onjuiste belastingaangifte en valsheid in geschrifte ook effectenhandel met voorkennis. De eerste reactie van H:,,Ik ben geschokt m.b.t. het feit dat ik verdacht wordt van de handel in effecten met voorkennis.''

In het proces-verbaal van het eerste verhoor is de handel met voorkennis weer niet opgenomen als verdenking. De verhoren in de daaropvolgende weken worden wel hoofdzakelijk gevuld met vragen die duiden op vermoedens van front running. H. blijft stelselmatig ontkennen.

Hebben de media de verdenking gefabriceerd, zoals justitie en de advocaat van de verdachte zeggen? Of jongleren de media op vergelijkbare wijze als justitie en verdediging, maar is hun belang als boodschapper niet zo omlijnd, en zijn ze daardoor minder berekenbaar?

Justitie wist bij voorbaat dat de beursfraudezaak in tijden van volkskapitalisme in de media een uitslaande brand zou zijn: verdenking van fraude, handel met voorkennis, criminele organisatie en belastingontduiking. Een arrestatie in het beursgebouw is publicitair voor justitie een meesterzet, maar wekt ook verwachtingen. Verspreiding van persberichten met initialen van verdachten is extra behulpzaam. Verdachten en hun advocaten houden uit eigenbelang liever hun mond. Constante lekken via De Telegraaf over de verhoren houden het vuur laaiende, en als de minister van Financiën zegt dat er nog meer aan zit te komen, weet iedereen: hij is hoofd van de FIOD, hij heeft dus voorkennis.

Door slim (of toevallig) mediabeleid heeft justitie lange tijd het voortouw. Maar als duidelijk wordt dat de verwachtingen maar ten dele worden waargemaakt, draaien de media. Justitie reageert kribbig. Verdenkingen hebben niet bestaan. Hoofdofficier Vrakking geeft drie argumenten waarom de opsporingsopratie nu al een succes is: het rendement (100 miljoen boetes en belasting tegenover 15 miljoen kosten), de impact op de bedrijfstak (zoals de oprichting van een Financieel Expertisecentrum) en de impact op de natie (de fiscale ,,normstelling is veranderd'').

Het rendement zal kloppen, maar zijn bij FIOD-onderzoeken de kosten niet altijd een fractie van de opbrengst? Dat zal ook een (belangrijke) overweging zijn om een onderzoek wel of niet te starten.

Het integriteitsargument klinkt mooi, maar is het zo? Alsof er nooit een belangenverstrengelings-affaire rondom toplieden van de oude NMB Postbank (1992) is geweest of een voorkenniszaak rondom de familie De Bièvre (ABN Amro, 1997).

En dan de moraal. Na de inval van justitie op verdenking van zwartgeld bij Slavenburgs Bank in 1983 zei toenmalig minister van justitie Korthals Altes:,,De aanpak [...] zal hopelijk tot gevolg hebben dat het normbesef [...] weer opgevijzeld wordt.''

Witteboordencriminaliteit is van altijd en overal. Nu de inzet van justitie steeds hoger wordt, wringt steeds meer dat het opsporingsproces een tunnel zonder eind kan zijn. Een schikking maakt een openbaar proces een illusie.

Dat ontneemt de samenleving het zicht op de cruciale vragen: wat had justitie nu eigenlijk in handen bij de verdenking tegen H. en waarom moest een oplossing zo lang duren?