Supporters

Toen, hoe lang geleden alweer, de NAVO bombardeerde, gingen overal ter wereld de schrijvers in debat. In Nederland konden ze daarmee twee kanten op: was de schrijver verplicht zich over de oorlog uit te spreken? Als hij/zij bevestigend antwoordde, ging hij door naar vraag b: het voor of tegen, en daarna kwamen de verfijnde motiveringen. Was het antwoord op de eerste vraag nee, dan kon hij verder aan zijn boek. Het werkte volgens het model dat de belastingen voor het aangifteformulier gebruiken.

Er zijn geen argumenten waarom juist de schrijvers zich over de oorlog moeten uitspreken terwijl andere beroepsgroepen zich het geen mening kunnen veroorloven. Er is wel een beroep dat men niet kan beoefenen zonder zich van het geschreven, gepubliceerde woord te bedienen. Dat is het beroep van de mensen die zich ongevraagd, op eigen gezag met de openbare zaak bemoeien. Daartoe horen volksmenners, mensen die hun eigen partij stichten, eigen blaadje oprichten, eigen website inrichten, sommige columnisten en commentators, cabaretiers, actievoerders en ook schrijvers die hun oeuvre niet uitsluitend bouwen op - bij wijze van spreken - hun ongelukkige jeugd.

Ja: waarom zou het oordeel over de oorlog (of desnoods de Betuwelijn) van een o.j.-schrijver meer gewicht hebben dan dat van een willekeurige treinmachinist of burgemeester die zich ook nooit in die kwesties hebben verdiept? Ik zou het niet weten. Het gaat dan ook niet om de schrijvers als beroepsgroep, maar om diegenen die het niet kunnen laten, zich met de publieke zaak te bemoeien, en die dan soms, met hun schrijverschap, een ander beroep beoefenen. In een historische, intussen afgesloten periode, werd dit bemoeien het engagement genoemd. Dat was de periode van de ideologieën, de Koude Oorlog, de dekolonisatie, wereldbewegingen. In die tijd had je de geëngageerde intellectueel, van Menno ter Braak en André Gide tot Jean-Paul Sartre en Günter Grass. Die zijn op hun manier beroemd geworden, maar, jonge schrijvers, neem deze mannen niet tot voorbeeld.

Terwijl ik dit stukje schrijf, donderdagochtend, gaat in Belgrado de Servische oppositie de straat op, tenslotte met het doel om de dictator die de uiteindelijke oorzaak van alle misère is, tot aftreden te bewegen. Niemand weet wat er gaat gebeuren. Als een massa tegenover een zwaar gewapende politiemacht staat, met deze grote inzet van beide kanten, is het geringste ongelukje voldoende om een slachtpartij te ontketenen. Maar de oppositie is verdeeld. Van veraf maakt ze niet de krachtigste indruk. Het kan met een sisser aflopen, wat betekent dat Miloševic na de bommen ook deze massabetoging heeft overleefd.

Intussen is het laat genoeg om te kunnen vaststellen wat er niet is gebeurd. Mient-Jan Faber, kernbombestrijder (ik zie en hoor hem nog de honderduizenden op het Museumplein toespreken) en vooraanstaand verdediger van bommen en grondtroepen op en in Joegoslavië, heeft zich niet aan het hoofd van een colonne geestverwante columnisten en politici gesteld. Het Museumplein is nog afgezet met het oog op de komende feestelijkheden, maar de Dam is vrij, en leeg. Verzachtende omstandigheid: het regent. De grote betoging is weken tevoren aangekondigd. Een enkele journalist of politicus heeft een artikel gepubliceerd, (René Gremaux in de Volkskrant, 16 augustus: Mladjan Dinkic in deze krant, 18 augustus, senator Dick Lugar, I.H.Tribune van 12 augustus), maar het heeft geen massale steun voor de Servische oppositie gebracht, of een columnistenoorlog veroorzaakt.

En dan is er nog iets gebeurd. Woensdagavond hebben de elftallen van Servië en Kroatië tegen elkaar gevoetbald, in Belgrado. Het was een kwalificatiewedstrijd voor Euro 2000, de kampioenschappen. Eerst waren er de gewone spreekkoren, toen riepen ze: Slobo Saddam! en Slobo schoft, je hebt Kosovo verkocht! Hoe gaat het u? Ik kon mijn ogen niet geloven. Eerst dacht ik aan W.F.Hermans die in zijn roman Ik heb altijd gelijk de Indië-veteraan Lodewijk Stegman en zakenman Key het Voetbal Europa laat oprichten. Het is een onderneming waarin de toto, de politiek en de sport tot heil van het werelddeel verenigd zijn. Toen dacht ik aan Velobor Vasovic, eertijds aanvoerder van Ajax, die al in 1991 heeft voorgesteld, de Joegoslavische oorlog op het voetbalveld te laten uitvechten. Op zijn manier ook een ziener. De wedstrijd in Belgrado is in nul nul geëindigd. Er waren na afloop geen rellen tussen Kroaten en Serviërs. Als ik Miloševic was, zou ik daarvoor banger zijn dan voor de intellectuelen, columnisten, schrijvers, bommenwerpers van het Westen.