Schikking met verdachte is vorm van klassenjustitie

Door schikkingen te treffen met verdachten van zware misdrijven, roept het OM het beeld op dat witteboordencriminelen met veel geld een mildere behandeling krijgen dan de gewone man, meent Jan de Wit. Bijzondere factoren mogen geen andere behandeling rechtvaardigen.

Schikkingen tussen het openbaar ministerie en verdachten van zware misdrijven, zoals onlangs getroffen in de beursfraudezaak, zijn maatschappelijk ongewenst. Er is geen enkele rechtvaardiging om witteboordencriminaliteit milder te behandelen dan andere delicten. Hiermee wordt de deur opengezet naar klassenjustitie. Van een recht op een regeling, zoals bepleit door hoogleraar

Baauw (NRC Handelsblad, 18 augustus), kan daarom geen sprake zijn.

Baauw beweert dat in de praktijk een buitengerechtelijke afdoening allang regel is geworden. In de meeste grote fraudezaken zouden zich bovendien twee bijzondere factoren voordoen die een buitengerechtelijke bijzondere afdoening rechtvaardigen. Zijn visie op de vervolging van dit soort niet geringe misdrijven druist echter niet alleen volledig in tegen het rechtsgevoel, maar getuigt ook van een miskenning van een groot aantal feiten.

De afgelopen jaren is een aantal regelingen die het openbaar ministerie met een verdachte trof in de openbaarheid gekomen. Een bekende schikking betrof die in de vervolging van de familie Van der Valk, verdacht van het op grote schaal plegen van belastingfraude. De veroordeling in eerste instantie tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd door het Haagse gerechtshof omgezet in 240 uur dienstverlening. Het hof liet daarbij zwaar meewegen dat het Van der Valk-concern zich bereid had getoond 138 miljoen gulden aan achterstallige belasting en premies te betalen.

En nu is er dus opnieuw een schikking in een grote strafzaak van vermoede witteboordencriminaliteit op de beurs, zoals frontrunning, het handelen met voorkennis, het witwassen van zwart geld via de beurs, belastingfraude, valsheid in geschrifte, omkoping en deelneming aan een criminele organisatie. Het zijn niet de minste misdrijven.

Niemand zal waarschijnlijk ontkennen dat de schade voor de samenleving bij dit soort misdrijven groot is en het belang van opsporing en vervolging dus zeer wezenlijk. Door in dit soort zware misdrijven schikkingen te treffen onderschat het OM het beeld dat het zelf oproept, namelijk dat witteboordencriminelen met veel geld een mildere behandeling krijgen dan de gewone man.

Is hier nu, zoals Baauw stelt, sprake van ongelijke gevallen? Zijn er in grote fraudezaken in tegenstelling tot gewone strafzaken twee bijzondere factoren die een buitengerechtelijke afdoening rechtvaardigen? Ik meen van niet.

Ten eerste moge het zo zijn dat in grote fraudezaken naast een strafrechtelijke reactie vrijwel altijd tevens sprake is van forse fiscale naheffingen en legio verstrekkende arbeidsrechtelijke, bestuursrechtelijke en tuchtrechtelijke consequenties, maar in het merendeel van kleine fraudezaken is dat niet anders. De frauderende bankbediende krijgt niet alleen gevangenisstraf, maar ook ontslag. En fraude met uitkeringen leidt consequent tot een veroordeling inclusief terugvordering van te veel ontvangen uitkering en een fiscale naheffing. Het verschil zit hem, zoals we hebben gezien in de zaak Van der Valk, daarin dat de strafrechtelijke veroordeling bij de zware misdrijven licht uitvalt vanwege de bereidheid om de fiscale naheffing te voldoen. Een naheffing die sowieso verschuldigd is.

De tweede reden om een bijzondere afdoening toe te passen zou de publiciteit betreffen bij een openbaar proces, met alle schade en schande vandien. Dit nu gaat echt te ver. Iedere verdachte wordt geconfronteerd met een openbaar proces en zoniet de landelijke, dan toch vaak de plaatselijke publiciteit. Sterker nog, het kan toch niet zo zijn dat mensen met zogenaamd aanzien, dat wordt aangetast door hun criminele activiteiten, milder worden behandeld dan mensen zonder aanzien? Van dat aanzien hebben zij in het verleden ook zeer waarschijnlijk de vruchten mogen plukken. En het is nu eenmaal zo dat hoge bomen veel wind vangen. Dat neemt niet weg dat de mediahype rond grote strafzaken zeer schadelijk is voor een onafhankelijke beoordeling van de strafzaak. Met andere woorden, van ongelijke gevallen en zogenaamd bijzondere factoren is niet zozeer sprake dat deze een andere behandeling rechtvaardigen.

Maar de feiten zijn nog veel ernstiger. Verdachten in deze grote strafzaken kunnen het zich financieel permitteren een dreamteam van dure advocaten in te huren om met een financieel lange adem jarenlang door te blijven procederen. Dit in tegenstelling tot een groot aantal mensen dat is aangewezen op gefinancierde rechtsbijstand.

Verdachten in grote strafzaken kunnen het zich financieel permitteren een schikking te treffen met het openbaar ministerie. Een schikking van anderhalf miljoen gulden, zoals beursfraudeverdachte Fred H. nu heeft getroffen met het OM, is voor het gros van de mensen niet weggelegd. Zij zullen in plaats daarvan eerder worden geconfronteerd met een vrijheidsstraf.

Daar komt bij dat het bij wittenboordencriminaliteit, zoals ook nu in de beursfraudezaak, in tegenstelling tot andere delicten vaak gaat om complexe misdrijven. Als gevolg van de complexiteit van deze grote strafzaken en een gebrek aan expertise en menskracht bij het OM wordt een schikking al snel gezien als het hoogst haalbare. Ik noem dat `de dans ontspringen'. Want al is een financiële aderlating onplezierig, het staat natuurlijk in geen verhouding tot een vrijheidsstraf, met alle gevolgen vandien.

Onlangs heeft criminoloog B. Rovers van de Erasmus Universiteit Rotterdam in een onderzoek naar het bestaan van klassenjustitie geconcludeerd dat mensen met een lagere sociaal-economische status meer kans lopen strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld te worden.

Hij wijst onder meer op de financiële middelen om zich van gespecialiseerde rechtshulp te kunnen voorzien, het al dan niet bestaan van een cultuurkloof tussen justitie en de verdachte en de complexiteit van de misdrijven. Dit onderzoek èn de praktijk zijn voldoende redenen om te spreken van klassenjustitie.

Het OM moet zeer terughoudend zijn met buitengerechtelijke afdoeningen. Strafzaken moeten voor de rechter worden gebracht en door de rechter in het openbaar worden beoordeeld. Dit komt de preventieve functie van het strafrecht ten goede.

Voorzover buitengerechtelijke afdoeningen voortkomen uit een gebrek aan expertise bij het OM, waardoor een schikking al snel wordt beschouwd als het hoogst haalbare, is het dringend noodzakelijk dat deze deskundigheid bij het OM wordt binnengehaald.

Jan de Wit is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de SP-fractie. Daarvoor was hij sociaal advocaat te Heerlen.