Omzwervende eruditie bij Borges

Zou hij langer hebben geleefd, dan was de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges aanstaande dinsdag honderd jaar geworden. Hij heeft slechts de zesentachtig gehaald; op 14 juni 1986 overleed hij. Zijn virtuele eeuwfeest was voor de Bezige Bij aanleiding om de bestaande vertalingen van zijn werk te herzien – zelfs te hervertalen – en in drie delen bijeen te brengen. De derde band is onlangs verschenen. Een vierde deel met – grotendeels nieuw vertaalde – poëzie moet dit najaar volgen. Het nu verschenen deel bevat de bundels De geschiedenis van de eeuwigheid (1936), De cultus van het boek (1952) en Zeven avonden (1980) in vertalingen van Barber van de Pol uit de jaren tachtig. Het is jammer dat deze niet wat grondiger zijn herzien, want net als in de voorafgaande twee delen doen kleine fouten hier en daar afbreuk aan het definitieve karakter van deze statige banden.

Wat dit deel van de voorafgaande onderscheidt, is dat Borges zich hier als weinig `borgesiaans' laat kennen. Hij wordt gewoonlijk geïdentificeerd met een fantastische essayïstiek waarin waarheid en verbeelding samen een vreemde, enigszins unheimliche werkelijkheid oproepen. Het succesvolst deed hij dat in de bundel Ficciones (1944), waarin het `borgesiaanse' genre definitief vorm kreeg. Toch vormen die fantastische essays maar een klein deel van zijn werk. Naast zijn omvangrijke dichtwerk schreef hij ook (fantastische) verhalen in de strikte zin, die echter meestal wat bij zijn essayïstische fantasieën achterbleven. Als essayist was hij meer in zijn element dan als verteller, ook wanneer hij zijn fantasie in toom hield en zich min of meer aan de (meestal bibliografische) feiten hield.

Met dat laatste genre is dit derde deel van deze uitgave gevuld. `Fantastisch' kan men deze opstellen – over esoterische theologische en filosofische ideeën, literaire vormen en kunstgrepen, de rol van het boek in de Europese beschaving, de droom van een taal die de werkelijkheid exact weergeeft, enzovoort – alleen noemen omdat hun onderwerpen dat zijn, niet Borges' behandeling daarvan. Van een methode is geen sprake, laat staan van verantwoording. Borges zwerft ongedisciplineerd door zijn geheugen en zijn boekenkast, citeert links en rechts en vermeldt zijn bronnen vaak maar half of helemaal niet. Van geen essayïst, laat staan een academicus, zouden we dat aanvaarden, maar Borges is door zijn literaire status tegen elke kritiek beschermd. Zelfs aan zijn meest `feitelijke' essays, die vooral in De cultus van het boek soms de vorm van een krantencursiefje of een verkapte recensie hebben, hangt onwillekeurig een fictioneel geurtje en daarmee raken alle genre-wetten aan het schuiven.

Vreemd is dat niet, want zelfs in zijn meest `objectieve' essays schuilt er bij Borges altijd een addertje onder het gras. Het meest bekende opstel uit De cultus van het boek is `De analytische taal van John Wilkins', waarin Borges melding maakt van een Chinese encyclopedie met een bizarre indeling. Die encyclopedie is beroemd geworden door Michel Foucault, die haar in De woorden en de dingen aanhaalde om te illustreren dat elke classificatie van de wereld willekeurig is. Borges schrijft de vermelding van deze encyclopedie te hebben aangetroffen bij de Duitse sinoloog Franz Kuhn. Die heeft inderdaad bestaan, net zoals John Wilkins heeft bestaan, maar, zo heeft Wilt Idema een paar maanden geleden in deze krant vastgesteld, in het omvangrijke oeuvre van Kuhn is geen verwijzing naar zo'n encyclopedie te vinden. Borges heeft een kleine `fictie' bedacht, maar dat lijkt in dit deel verzamelde opstellen een uitzondering.

Kenmerkender zijn deze bundels in de wijze waarop Borges omgaat met de wereldliteratuur en haar schrijvers. Zijn omzwervingen en onmethodische eruditie plaatsen hem op hetzelfde niveau als de auteurs die hij aanhaalt, zonder dat zijn bewondering voor hen daarvoor wijken moet. Die vrijheid in de omgang geeft hem een speelruimte die de meeste essayisten zich niet kunnen veroorloven, en daardoor verschijnen zelfs de meest bekende feiten of citaten bij Borges spelenderwijs en onnadrukkelijk in een nieuw licht.

Borges was ten slotte zelf literatuur geworden. Hoezeer bij hem de wereld uiteindelijk een boek – misschien wel zijn eigen boek – werd, blijkt terloops uit een opmerking uit het droom-essay uit Zeven avonden. `We weten dat dieren dromen,' schrijft hij. `Er zijn Latijnse verzen waarin sprake is van een hazewind die blaft naar de haas die hij in dromen nazit.' Geen enkele auteur zou zich zo'n bewijsvoering kunnen veroorloven, maar Borges wordt het vergeven. Niet voor niets had hij kort daarvoor Mallarmé al geciteerd: `Tout aboutit en un livre'. Die constante in zijn oeuvre maakte hem de lieveling van alle postmodernen.

Jorge Luis Borges:

De geschiedenis van de eeuwigheid en andere essays. (Historia de la eternidad; Otras inquisiciones; Siete noches). Vertaald door Barber van de Pol. De Bezige Bij, 548 blz. ƒ125,-