Laatkomers in het Westen

Afgevaardigden van Amerikaanse indianenstammen hielden onlangs in Montreal een conferentie over hun toekomst, honderd jaar nadat hun laatste verzet tegen de blanken werd gebroken. Historici onderzoeken intussen nauwgezet hun verleden. Hoe wild waren de Apachen?

Als sky islands rijzen de paars-blauwe bergketens van Arizona op uit een glinsterende zee van rotsen, zand en gras. Vogels, eekhoorns, herten en ander wild ritselen door het struikgewas op de ruige hellingen. Er leeft van alles in deze woestijn, pal tegen de Mexicaanse grens.

Van alles, maar bijna geen mensen. Aan de voet van de bergen ligt een enkel spoorwegstadje, opgetuigd met benzinepompen, en een paar ranches. Regisseur Howard Hawks filmde in deze streek in 1947 de western Red River, met John Wayne, maar daarna lieten ook de filmploegen dit afgelegen deel van Arizona weer links liggen.

Van de inheemse bewoners, de Chiricahua Apachen, is al langer niets meer te merken. In hun bergen hangt de `schitterende leegte' van een landschap dat op nieuwe bewoners lijkt te wachten, zoals David Roberts het beschrijft in Once They Moved Like The Wind (1994), zijn overzicht van het conflict tussen de Chiricahuas en het Amerikaanse leger in de tweede helft van de vorige eeuw. Met andere Apache-stammen werden de Chiricahuas overgebracht naar een troosteloos reservaat in centraal Arizona.

Sommigen weigerden zich te laten opbrengen, of ontvluchtten het reservaat. Nadat hun laatste `renegaat' Geronimo, zich in 1886 had overgegeven, werden alle Chiricahuas - 500 mannen, vrouwen en kinderen - op de trein gezet voor een bezoek aan Washington. In plaats daarvan werden ze naar kampen in Florida getransporteerd en een kwart eeuw als `krijgsgevangenen' gedetineerd. Bij hun vrijlating in 1913 waren er 261 Chiricahuas over, die werden verspreid over reservaten van andere stammen in Oklahoma en Nieuw-Mexico.

Dat harde lot was de prijs voor hun onverzettelijkheid. Voordat ze werden samengebracht op een reservaat, voerden de Chiricahuas een wrede guerrilla tegen de blanken, in een desperate poging de kolonisten van hun land te verjagen. Lijken van vijanden werden verminkt (hoewel scalperen uitzonderlijk was), gevangenen doodgemarteld. Amerikaanse troepen die op zoek naar voortvluchtige Apachen het noorden van Mexico doorkruisten, troffen een geruïneerd landschap aan, waar de boeren al maanden hun akkers niet meer opdurfden.

Hun vijanden lieten zich ook niet onbetuigd. De Mexicaanse provincies Chihuahua en Sonora, die economisch zwaar leden onder de roof-overvallen van de Apachen, reageerden met een politiek van openlijke genocide. Ze stuurden doodseskaders op los barbaros af, voor premies van 100 (man), 50 (vrouw) en 25 peso (kind) voor elke scalp die ze binnenbrachten. Ook veel Amerikanen in het Zuidwesten zagen in uitroeiing de enige manier om een eind te maken aan de permanente dreiging van de Apachen, voor wie roven, met jagen en verzamelen, nu eenmaal een essentiële economische activiteit vormde. Dat het conflict zich vervolgens zo lang voortsleepte had ook een geografische oorzaak: de krijgers konden na elke raid over de grens verdwijnen, een mogelijkheid tot bilokatie die het conflict rekte en de haatgevoelens aanwakkerde.

Er waren meer redenen om de Chiricahuas uit de weg te ruimen. Hun land lag op de route naar Californië en was rijk aan koper, zilver en goud. Heel anders verging het hun verwanten de Navajos, die na een vierjarige ballingschap wèl een reservaat kregen in hun stamland, een magnifieke rotswoestijn waarvan de commerciële waarde pas veel later werd ontdekt, door Hollywood. Terwijl de Chiricahuas verdwenen, groeiden de Navajos uit tot de grootste indianenstam van Amerika, met 170.000 mensen en een reservaat ter grootte van België. In de westerns van John Ford zijn het Navajos die te paard enthousiast de rollen van Apachen vertolken.

Sindsdien zijn de Apachen door schrijvers en filmmakers gemythologiseerd als een horde gillende wilden, de amorfe personificatie van het ongetemde Westen. Artikelen over Geronimo werden in het Oosten verslonden door een publiek dat hongerde naar pioniers-romantiek. In het Westen bleven de Apachen een gehaat symbool van inheems banditisme. Een kleindochter van Geronimo ontving nog in 1992 hate-mail over opa; een kleinzoon voelde zich verplicht de familienaam in bargevechten te verdedigen.

Dankzij de academische studie van niet-westerse culturen en de groeiende herwaardering van het rijke indiaanse verleden, hebben de Apachen inmiddels een menselijker en evenwichtiger pers gekregen. De antropologen Grenville Goodwin en Morris Opler analyseerden hun sociale en religieuze gebruiken (An Apache Life-way, 1941), Dan Thrapp reconstrueerde hun militaire geschiedenis (The Conquest of Apacheria, 1967), zijn leerling Edwin Sweeney schreef het bekroonde Cochise (1991) over de gelijknamige Chiricahua-hoofdman die zwoer alle Amerikanen uit Arizona te verjagen, en daar bijna in slaagde. Angie Debo redde de bijna doodgeknuffelde Geronimo van de pulp-industrie met haar empathische Geronimo (1976). Eve Ball liet in Indeh; an Apache Odyssey (1980) de Chriricahuas eindelijk zelf aan het woord.

Door het werk van deze auteurs verliezen de clichés over deze indianen langzaam hun kracht. `De ware geschiedenis van de indianen wordt nu pas geschreven', schrijft de provocateur Paul Johnson niet onterecht in A History of the American people (1997). De indianen waren geen bloeddorstige bruten of nobele wilden - oftewel: geen projecties van andermans culturele dromen en angsten - maar heterogene volken met geraffineerde sociale en religieuze codes, die in hun omgang met het ruige land bovendien vaak opmerkelijk veel leken op de eerste blanke kolonisten. De kloof die zich gaandeweg tussen hen opende, de misverstanden, gebroken beloftes en irritaties, en ten slotte de oorlogen met het leger, passen in het complexe patroon van koloniale confrontaties zoals die zich ook elders voordeden tussen westerse mogendheden en inheemse bevolkingen, van de Zulu tot de aborigines.

De behandeling van de indianen was paternalistisch, wreed en doortrokken van racisme. Episodes als de deportatie van de Cherokees en de onderwerping van de Californische indianen doen onweerstaanbaar denken aan etnische zuiveringen. Maar de indianen hadden in Washington ook altijd hun pleitbezorgers, en van een planmatige genocide door de Amerikaanse overheid was geen sprake. Niet oorlog, maar ziekte was de belangrijkste oorzaak van het verlies aan mensenlevens. Volgens demografen was de daling van de indiaanse bevolking met 1,5 miljoen mensen na 1776 bijna volledig het gevolg van epidemieën. Gewapende conflicten maakten ruim 50.000 slachtoffers, vooral in de strijd met stammen die weigerden zich te laten opbergen in reservaten, zoals de Oglala Sioux en de Chiricahuas. (zie daarover Alan Rosenbaum (red): Is the Holocaust unique? Perspectives on Comparative Genocide, HarperCollins, 1996).

Mangas Coloradas, Sweeney's jongste boek, is een passende aanvulling op die nieuwe literatuur over de Apachen. De hoofdpersoon Mangas Coloradas (Kan da zis tlishishen, `Rode mouwen', 1790-1863) was de eerste Chiricahua-hoofdman die, moe van de oorlog met Mexico, zijn vertrouwen stelde op de Amerikanen. Nadat de Verenigde Staten in 1848 Mexico hadden verslagen en de territoria Arizona en Nieuw-Mexico verwierven, sloot hij hoopvol vrede met de `wit-ogen', Het mocht zijn clan niet lang baten. In 1860 werd goud ontdekt in hun gebied in Nieuw-Mexico en begon de vrede te kraken onder een aanzwellende stroom kolonisten en gelukzoekers. Een conflict in Arizona tussen het leger en Mangas' schoonzoon Cochise over de ontvoering van een kind was de vonk in het kruitvat. Daarna begon een `vuile oorlog' die aan honderden boeren, soldaten en indianen het leven kostte. Uit de boeken van Thrapp en Sweeney blijkt hoe bruut dat conflict kon zijn. De Chiricahuas vermoordden boeren en reizigers, blanke `vrijwilligers' uit Tucson namen in 1871 wraak met een bloedbad onder Arivaipa-Apachen; een andere, vreedzame stam.

Onderzoek van antropologen en historici maakt ook duidelijk hoezeer het leven van niet alleen de Chiricahuas maar van alle Apachen toen al was veranderd door het contact met de blanken. De nomadische Apachen waren migranten uit het noorden en relatieve laatkomers in het Zuidwesten, waar ze tussen de elfde en vijftiende eeuw doordrongen. Het gebied werd bewoond door landbouwvolken als de Zuñi, die in `Pueblos' woonden en in de zestiende eeuw werden gekoloniseerd door de Spanjaarden. Hun vee en gewassen - deels geïntroduceerd door de Spanjaarden - maakten hen een favoriet doelwit voor de Apachen, zeker toen die eenmaal (Spaanse) paarden leerden berijden. Met hun overvallen maakten de nieuwkomers zich gevreesd en gehaat bij de Pueblo-indianen, die hen met een Zuñi-woord apachu doopten, `vijanden'. De Apachen noemden zichzelf liever, zoals meer indiaanse stammen, simpelweg `mensen', dine, een aanduiding die nog steeds wordt gebruikt door de Navajos, in hun kranten, officiële bulletins, en tweetalige supermarkten.

Voor de Spanjaarden die het gebied koloniseerden waren de rovende Apachen een voortdurende bron van onrust. Een pragmatische combinatie van afstraffen en omkopen bracht uiteindelijk respijt. Hardhandig gepacificeerd door het Spaanse leger, vestigden veel Apachen zich eind achttiende eeuw bij garnizoensplaatsen (presidio`s) waar de Spanjaarden hen voorzagen van voedsel, kleding en whisky. Het was een constructie vol nieuwe conflictstof. Zodra de rantsoenen uitbleven, startte de cyclus van rooftochten en vergelding opnieuw. Toen het presidio-stelsel na de onafhankelijkheid van Mexico desintegreerde en tenslotte werd afgeschaft, werd de oorlog hervat.

Mangas Coloradas probeerde tevergeefs het tij te keren. In 1863 werd hij, op 73-jarige leeftijd, in de val gelokt en vermoord door Amerikaanse soldaten. Zijn lijk werd onthoofd, zodat de schedel voor wetenschappelijk onderzoek kon worden gebruikt - tot afgrijzen van de Apachen, die geloofden dat hun leider nu gedoemd was zonder hoofd door het hiernamaals te dolen.

Sweeney vertelt het verhaal van Mangas nauwgezet en gedetailleerd, maar met een beperkte woordenschat en soms tamelijk ongelukkige beeldspraak (de Apachen vliegen telkens `als horzels' op hun vijanden af). Enkele passages van het boek zijn bovendien letterlijk ontleend aan Cochise, dat zich deels in dezelfde periode afspeelt. Gelukkig is Sweeney's archiefonderzoek opnieuw voorbeeldig en kan hij bijvoorbeeld de mythe ontzenuwen dat Mangas zijn oorlog tegen de Amerikanen begon nadat hij was afgeranseld door goudzoekers. Een wraakmotief dat passend werd geacht voor een `wilde', maar waarvoor elk bewijs ontbreekt. En hier is de mooie beschrijving van een ontmoeting met Mangas' clan die Sweeney uit de annalen opviste: `Het was een wild stelletje. De mannen waren halfnaakt, de vrouwen niet veel beter gekleed. Ze grinnikten en riepen dingen naar ons in het Spaans terwijl we langsreden. Het opperhoofd kwam met een lans in zijn hand naar ons toe, om suiker te vragen voor een ziek kind. Hij was heel vriendelijk.' Angst en fascinatie vechten hier om de voorrang - en zo zou het lang blijven.

Portretten van prominente indianen als Mangas Coloradas worden noodgedwongen vaak geschilderd aan de hand van informatie uit de derde hand of, in het slechtste geval, fantasie. Veel bronnen zijn onbetrouwbaar door de beperkte kennis van indiaanse talen en gebruiken. Amerikaanse bestuurders en militairen zochten bovendien altijd naar `opperhoofden' en gingen er voetstoots vanuit dat de indianen die gewillig met hen onderhandelden, het resultaat ook konden opleggen aan hun achterban. Maar van zo'n hiërarchische structuur, laat staan van centraal leiderschap, was onder de indianen geen sprake.

Nog meer dan bij Mangas Coloradas, doemen die obstakels op bij een biografie van Crazy Horse (Ta-Shunka-Witco). Hij was geen hoofdman of diplomaat zoals Mangas - integendeel - maar een éénling die een zwervend bestaan leidde, en zelfs door zijn stamgenoten `Onze Vreemde Man' werd genoemd. Hij was ook lid van een krijgersgenootschap en speelde een rol in de meest spectaculaire overwinning die de Sioux op het Amerikaanse leger behaalden, de vernietiging van Custers zevende cavalerie aan de Little Big Horn in 1876. Een jaar later, toen de Sioux zich opgejaagd en uitgehongerd op hun reservaten hadden gemeld, werd Crazy Horse gedood bij een poging hem te arresteren.

Net als Mangas Coloradas stierf hij dus een gewelddadige dood, maar met de omgekeerde aanleiding: Mangas wilde vrede, Crazy Horse verzet. Het nieuws van zijn dood werd dan ook begroet met opluchting door moegestreden Sioux die zich wilden aanpassen aan het blanke regime. Onder de jongere indianen kreeg Crazy Horse daarentegen postuum een cult-status, die niet aangetast kon worden door verval op latere leeftijd zoals bij Geronimo, die in 1905 meereed in de inaugurele parade voor Theodore Roosevelt. Zijn legende inspireerde in de jaren zeventig militante jonge indianen op het armoedige Sioux-reservaat, waar een bittere machtsstrijd werd uitgevochten tussen een bestuurlijke kliek en - veelal jeugdige - traditionalisten.

De gelauwerde romanschrijver Larry McMurtry, bekend van Lonesome Dove, doet in Crazy Horse een mooie poging deze raadselachtige Sioux tot leven te wekken. Zijn mini-biografie telt slechts 134 pagina's, maar dat is voldoende voor alle betrouwbare informatie over Crazy Horse. McMurtry's schets van het leven op de grasvlaktes is meesterlijk en zijn rake typeringen van personen verraden de verbeeldingskracht van de romancier: Custer noemt hij een megalomaan die in een ander leven `een fantastische projectontwikkelaar' zou zijn geweest. Soms gaat hij daarin wat te ver. Crazy Horse een `Platonist van de prairie' noemen klinkt leuk, maar de alliteratie wint het hier toch van de analyse.

Wellicht is dat passend. Al bij zijn leven werd deze loner tenslotte omgeven door mysterie en de meest wilde verhalen. Het is geen wonder dat juist zijn legende, meer dan die van de diplomaat Mangas, het brandpunt is geworden voor indiaans activisme. Al is ook de naam Crazy Horse inmiddels, onvermijdelijk, geannexeerd door een blanke rockband.

Het populaire beeld van de indianen wordt nog steeds bepaald door de meest militante stammen, die zich het langst tegen de `wit-ogen' verzetten. De verdienste van The Earth Shall Weep van James Wilson is, dat het de wijd en zijd gepubliceerde lotgevallen van Apachen en Sioux in een panoramisch perspectief plaatst. Mangas en Crazy Horse zijn hier maar een paar namen in een lange geschiedenis van decimering en destructie. In nog geen vijfhonderd pagina's schiet Wilson van de prehistorie naar de Reagan-jaren. Dat levert een triest overzicht op, dat in zijn onverhulde sympathie voor de geslachtofferde indianen doet denken aan Bury My Heart at Wounded Knee, Dee Browns melodramatische klassieker uit 1971.

Zoals andere moderne auteurs onderstreept Wilson terecht de variatie en vitaliteit van de indiaanse culturen. Helaas leidt zijn engagement ook tot sweeping statements en politiek correcte generalisaties over de perfide blanken. Wilson wijst erop dat Europa in de vijftiende eeuw `veel homogener was' dan inheems Amerika, noemt het christendom `een oorlogsreligie', kenmerkt Europa's houding tegenover andere volken door de eeuwen heen als paranoïde en `verknipt', en vindt het darwinisme en indiaanse scheppingsverhalen vergelijkbare mythes. Merkwaardig is ook zijn opgewekte observatie dat de blanken de laatste tijd in de prairie-staten alweer zwakker worden en de indianen daar opbloeien - een conclusie waar de indianen van zouden opkijken.

Interessant en minder gehinderd door wishful thinking is Wilsons beschrijving van de Indianenpolitiek van Washington, die zwalkte tussen `soevereiniteit in eigen kring' en gedwongen integratie. Nadat de stammen op reservaten waren ondergebracht, raakten ze bekneld tussen het fanatisme van hard liners die in opheffing van stammen en reservaten voorwaarden zagen voor burgerschap (`de indiaan doden om de mens in hem te redden'), en het vaak contraproductieve paternalisme van hun sympathisanten. Indianenvrienden dachten hen in 1887 een dienst te bewijzen met een wet die elke familie grond in particulier eigendom moest geven. Het resultaat was een dramatische verkleining van de reservaten door de verkoop van `overtollig' stamland aan blanke handelaren en boeren.

Aan die onteigening van indiaans grondgebied kwam in de jaren dertig een einde, onder invloed van de New Deal. Na de oorlog werd het sluiten van reservaten en ontbinden van stamverbanden hervat, totdat Richard Nixon onder druk van blanke en indiaanse critici de harde integratie-politiek beëindigde en de reservaten meer zelfbestuur verleende. Steeds meer indianen vonden intussen de weg naar de rechtbank om oude rechten op te eisen of compensatie af te dwingen. De resterende Chiricahuas werden in 1971, na lang juridisch touwtrekken, alsnog schadeloos gesteld voor het verlies van hun land.

Tegelijk heeft zich bij veel stammen een opmerkelijk demografisch herstel voorgedaan. In 1923 leefden 220.000 indianen in de Verenigde Staten, in 1990 was hun aantal (en dat van nazaten die zich weer `indiaan' wilden noemen) gestegen tot 1,8 miljoen.

Daarmee is in elk geval een einde gekomen aan de biologistische fictie waarmee de negentiende eeuw zichzelf gerust probeerde te stellen over hun lot, en die voor de Chiricahuas in Arizona nog werkelijkheid werd: die van het `verdwijnende ras'.

Larry McMurtry: Crazy Horse.

Weidenfeld & Nicholson, 134 blz. ƒ51,-

Edwin R. Sweeney: Mangas Coloradas. Chief of the Chiricahua Apaches. Oklahoma University Press, 578 blz. ƒ85,75

James Wilson: The Earth Shall Weep.

A History of Native America.

Picador, 466 blz. ƒ79,60