Kunstenaars van stad en land

Generaties lang is over de Nederlandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw in min of meer nationalistische termen geschreven. De realistische schildertrant en onderwerpkeuze van de oude meesters sloten aan bij de veronderstelde nuchtere Hollandse volksaard. Uit de talrijke interieurstukjes, stillevens en landschappen sprak een voorkeur voor alledaagse onderwerpen die als `typisch Hollands' werd beschouwd. In de naoorlogse jaren werd dat beeld genuanceerd. Onder al die ogenschijnlijk realistische tafereeltjes bleek een wereld van moraliserende symboliek schuil te gaan. Verder werd duidelijk dat de produktie van religieuze en mythologische taferelen aanmerkelijk groter was geweest dan verondersteld. Ook kwam er meer aandacht voor de regionale verschillen. Schilders uit plaatsen als Middelburg, Enkhuizen, Roermond of Kampen.

In het standaardwerk Hollandse schilders in de Gouden Eeuw van Bob Haak uit 1984 werd gekozen voor een nieuwe aanpak: de schilders werden per stad behandeld. Voor zo'n geografische rubricering valt iets te zeggen. Schilders in steden als Utrecht, Middelburg, Haarlem, Rotterdam en Delft vormden redelijk hechte groepen die bij elkaar in de leer gingen, in lokale gilden georganiseerd waren en regelmatig samenwerkten. In veel gevallen is evident dat stadgenoten invloed op elkaars werk hebben uitgeoefend.

Toch kleven er bezwaren aan een indeling per stad. In provincieplaatsen als Groningen, Zierikzee, Breda, Enkhuizen of Deventer waren wel schilders actief, maar niet genoeg om van een herkenbare lokale traditie te spreken. Bij Amsterdam is het omgekeerde het geval. Er werkten daar zoveel schilders, in zoveel stijlen en genres, dat `Amsterdams' als rubricering onbruikbaar is. Een ander bezwaar tegen de opdeling van zeventiende-eeuwse schilders in stedelijke of regionale scholen, is dat veel kunstenaars in verscheidene plaatsen hebben gewerkt zonder hun stijl aan te passen. Een voorbeeld is de schilder van stillevens Abraham van Beijeren, die een deel van zijn leven voor schuldeisers op de loop was en nogal eens moest verhuizen. Hij werd geboren in Den Haag, bracht zijn leerjaren in Leiden door, en keerde daarvandaan terug naar zijn geboortestad. Hij verhuisde naar Delft, keerde opnieuw naar Den Haag terug en woonde daarna nog in Amsterdam, Alkmaar en Gouda alvorens zijn laatste jaren te slijten in Overschie. Bij welke stad zou Van Beijeren ingedeeld moeten worden?

Het Hoogsteder Lexicon van Haagse Schilders beschouwt hem als een Hagenaar. Van Beijeren komt uitgebreid ter sprake in dit naslagwerk. Er is een apart hoofdstuk aan hem gewijd en achterin wordt hij nog eens kort behandeld in een alfabetisch overzicht van alle schilders die tussen 1600 en 1700 in Den Haag actief zijn geweest.

Deze lijvige publicatie over Haagse schilders staat niet op zichzelf. Er zijn de afgelopen jaren meer studies verschenen waarin het kunstbedrijf in één Nederlandse stad centraal stond. Naar aanleiding van een tentoonstelling over Rotterdamse zeventiende-eeuwse meesters verscheen ruim vier jaar geleden een catalogus waarin ook een omvangrijk lexicon met Rotterdammers was opgenomen. In 1997 werd onder de titel Zwolle in de Gouden Eeuw een tentoonstelling georganiseerd waarbij een catalogus verscheen die Zwolse schilders op een rijtje zette. Een lexicongedeelte ontbrak daarin. Dat is weer wèl opgenomen in een recent verschenen - ook al in samenhang met een tentoonstelling - naslagwerk over kunstenaars uit de Zaanstreek.

Bij een vergelijking van de studies over Haagse, Zaanse en Zwolse schilders, valt het laatste boek op in positieve zin. Dat is vooral te danken aan de stad zelf. Aard en omvang van het zeventiende-eeuwse Zwolle lenen zich goed voor een publicatie als deze. Zwolle lag ver genoeg van de grote Hollandse steden om enigszins op zichzelf aangewezen te zijn en telde net genoeg kunstenaars om over een eigen schildertraditie te beschikken. Niet onbelangrijk is verder dat onder de Zwolse schilders twee namen voorkomen die ver boven de middelmaat uitsteken. Gerard Ter Borch (de jonge) is beroemd om de onnavolgbare manier waarop hij de kleding in zijn genrestukjes schilderde. En Hendrick ten Oever slaagde erin een eigen draai aan landschapsschilderkunst te geven. Zwolle in de Gouden Eeuw schetst een aardig portret van het Zwolse culturele leven. De lezer komt de lokale adel, intelligentsia en kunstenaars dicht op de huid te zitten en krijgt inzicht in hun onderlinge relaties.

Het boek over Haagse schilders verschaft een minder coherent beeld. Den Haag vormde nu eenmaal niet zo'n overzichtelijke microkosmos als Zwolle. Het Haagse culturele klimaat was levendig, maar laat zich niet makkelijk omschrijven. Enerzijds was het een bescheiden vissersplaats die niet eens stadsrechten had. Tegelijkertijd bood de stad onderdak aan twee vorstenhoven en was het de woonplaats van talloze diplomaten en hoogwaardigheidsbekleders. Veel schilders woonden maar kort in Den Haag. Voor Jan Lievens en Melchior d'Hondecoeter - die beiden een hoofdstukje in het boek krijgen toebedeeld - vormden de Haagse jaren weinig meer dan een tussenhalte in hun carrière.

Er is een indrukwekkende hoeveelheid informatie in dit lexicon bijeen gebracht en het boek voorziet in een leemte. Door de medewerking van kunsthandel Hoogsteder & Hoogsteder zijn er bovendien veel illustraties van (onbekende) schilderijen uit particulier bezit in opgenomen. Het is een prachtig boek... tot pagina 279. Daar begint het eigenlijke Lexicon, een gedeelte waarin een grote hoeveelheid fouten en slordigheden terecht is gekomen. De lemmata zijn ongelijk van opbouw en toon. Het gebrek aan een straffe redacteurshand doet zich ook voelen in de soms tegenstrijdige informatie. Een voorbeeld: bij Jacob van der Does valt te lezen dat hij een broer van Simon van der Does was, maar omgekeerd heet deze Simon een neef van Jacob te zijn. Ander voorbeeld: een vechtpartij tussen twee schilders speelt zich bij de ene schilder in Den Haag af, terwijl zijn tegenstander in Delft zou hebben gevochten. Bij verschillende schilders wordt ten onrechte beweerd dat er geen enkel werk van hen bewaard is gebleven. De onjuistheid blijkt soms nog op dezelfde pagina als daar doodleuk een schilderij van zo'n kunstenaar `zonder oeuvre' wordt afgebeeld.

Familierelaties blijven soms onvermeld en er worden nogal eens schildersnamen verward of verwisseld. Bij Cornelis de Bruijn (een kunstenaar wiens reizen gedetailleerd zijn gedocumenteerd) wordt beweerd dat hij in Sint Petersburg een portret van tsaar Peter de Grote zou hebben geschilderd. In werkelijkheid portretteerde De Bruijn de nichtjes van de tsaar. En dat gebeurde in Moskou. De gegevens vallen makkelijk na te lezen in het reisverslag dat De Bruijn zelf publiceerde of in een van de recente publicaties die aan hem gewijd zijn. Deze titels ontbreken echter in de literatuurverwijzingen onder zijn naam.

Dát er fouten in het Lexicon staan is niet erg. Gelet op de schaal van dit project is dat zelfs onvermijdelijk. Het is de ontluisterende hoeveelheid aan onzorgvuldigheden die te denken geeft. In het voorwoord komt ter sprake dat het aantal schilders in Den Haag een stuk groter bleek te zijn dan de samenstellers vooraf hadden gedacht. Heeft men zich wellicht aan het project vertild?

De samenstellers van het boek over de Zaanstreek kregen te maken met andere moeilijkheden. Hun studie omspant 350 jaar, maar gedurende de eerste drie behandelde eeuwen is er in de Zaanstreek eenvoudigweg géén schilderkunstige traditie. Het gebied blijkt eeuwenlang een schamele voedingsbodem voor de kunsten te zijn geweest. De industriële Zaanstreek werd overwegend door arbeiders bewoond en die konden zich geen dure schilderijen veroorloven. De auteurs verdoezelen dat niet; ze geven voorbeelden van Zaanse kunstenaars die op jonge leeftijd vertrokken omdat ter plekke niet genoeg emplooi voor hen was. Zulke schilders komen niettemin uitvoerig ter sprake, evenals reizigers die voor korte tijd in de Zaanstreek neerstreken, zoals de impressionist Claude Monet. Zo vormen de eerste vijftig pagina's van dit boek een onsamenhangende potpourri van volkomen verschillende kunstenaars en stijlen. Pas aan het einde van de negentiende eeuw begint zich in Zaandam een lokale schilderstraditie af te tekenen en in de eerste helft van deze eeuw gaan kunstenaars als Félicien Bobeldijk en Gerrit de Jong zich nadrukkelijker - en met succes - op Zaanse onderwerpen richten. Kunst zonder rugwind is voorbeeldig uitgegeven en met liefde geschreven. Het is alleen jammer dat het aantal Zaanse kunstenaars dat deze uitgave rechtvaardigt zo gering is. In het Lexicon-gedeelte komt ook een zeventiendde-eeuwse kunstenaar voor die in Den Haag is overleden: Simon (of Tijmen) Arentsz. Kraft, de leermeester van Abraham van Beijeren. Dat nodigt uit tot een vergelijking met het Haagse Lexicon. Opmerkelijk is dan hoezeer de gegevens uiteen blijken te lopen: de spelling van de naam van de kunstenaar, zijn geboorte- en sterfjaar, de data van zijn buitenlandse verblijf, zijn resterend oeuvre, steeds zijn er verschillen.

Om lexica vollediger, betrouwbaarder en consistenter te maken zou er een databank moeten bestaan waarin de biografische gegevens van Nederlandse kunstenaars worden verzameld, vergeleken en van ruis ontdaan. Het aangewezen instituut voor die taak is het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag. Daar beschikt men al over een schat aan informatie. Maar getuige de participatie van het RKD in het Haagse Lexicon, valt er aan het ontsluiten van dergelijke biografische gegevens nog veel te verbeteren. Het zou mooi zijn als de toekomstige auteurs van studies over schilders in Leiden, Gouda, Alkmaar, Delft, Amsterdam of Overschie voor de gegevens over `hun' stadgenoot Abraham van Beijeren terecht zouden kunnen bij één centrale data-bank.

Edwin Buijsen e.a: Haagse Schilders in de Gouden Eeuw. Het Hoogsteder Lexicon van alle schilders werkzaam in Den Haag 1600 - 1700. Waanders, 374 blz. ƒ85,- (geb.)

H.J.Heijnen, P.Helsloot, J.P.Woud en K.Woudt: Kunst zonder rugwind: Zaanse schilderkunst 1600 - 1950. Mercurius, Wormerveer, 176 blz. ƒ45,- (geb.)

Jean Streng en Lydie van Dijk: Zwolle in de Gouden Eeuw.

Cultuur en schilderkunst. Waanders, 128 blz. ƒ45,-

    • Erik Spaans