Kraus 2

Het Oostenrijkse `fenomeen' Karl Kraus wordt door Manja Ressler niet alleen geassocieerd met `het joodse antisemitisme', hij wordt er zelfs de `belichaming' van genoemd. In het artikel wordt de kwalificatie `antisemitisch' bij herhaling gebezigd, echter nergens op overtuigende wijze vanuit het werk van Kraus geïllustreerd.

Karl Kraus die al op jeugdige leeftijd `uit het jodendom treedt', die `gedurende zijn hele leven bevriende schrijvers tegen antisemitische kritiek in de media verdedigt', die zijn `liefde voor de oerkracht van een onkreukbaar jodendom' met zijn `eerbied voor het geschonden leven en de bezoedelde taal' verwoordt, die Karl Kraus dus bestrijdt volgens Ressler het liberalisme (van de vooral joodse middenklasse), de `journalistiek' (waarin veel joden actief zijn), de Neue Freie Presse (met haar joodse hoofdredacteur) en Jung Wien (waartoe veel joodse kunsenaars behoren). Te mager voor een zo zware beschuldiging. Zijn `contacten' dan, niet alleen met Erich Mühsam, met Bertold Brecht, met Oscar Wilde, met Elias Canetti en vele anderen, onder wie ook Jörg Lanz en Houston Steward Chamberlain? Zijn verwachting misschien, dat de in 1934 vermoorde austro-fascist Engelbert Dollfuss de enige garant was tegen de Anschluss met Hitler-Duitsland en tegen het Duitse nationaal socialisme? Ook daarvoor geldt: té mager en teveel insinuatie.

Geen verwijzingen naar zijn (vroege) Die Krone von Zion of naar zijn opstelling in de Dreyfus-affaire, die hem doorgaans de beschuldiging van `joods antisemitisme' en van `typisch joodse Selbsthass' brachten, geen enkele concretisering ook van zijn vermeend en joods antisemitisme. Slechts bespiegelingen, gepsychologiseer en de poging hem in het Umfeld van het nationaal socialisme te plaatsen. Karl Kraus verdiende een genuanceerder en minder tendentieuze bespreking.