Ik wil hun koppen zien!

Voor zijn programma `Dode Dichters Almanak' zoekt Hans Keller beelden van dichters die een gedicht voorlezen. Maar steeds weer zwenkt de camera af naar beken, boomtoppen, bladeren.

Op het videoscherm in mijn cabine van de Library of Congress in Washington D.C. komt dan eindelijk Robert Lowell zelf tevoorschijn. Het is halverwege een aan deze dode dichter gewijd filmportret, waarin zijn lezende stem tot dusver, al naar ondoorgrondelijke behoefte, werd geïllustreerd met wuivende boomtoppen, drijvende bladeren op stil water, een opgaande zon achter trappen in Rome - of ging hij onder? Want je luistert niet meer. Je kijkt niet naar woorden, je kijkt naar onder de camera wegsnellende spoorrails, roestige scheepswrakken aan de oever van de Hudson, meeuwen erboven en hun stemmen krijsend door de zijne.

In het algemeen zijn filmmakers gek op poëzie, maar ze zijn als de dood voor de dichters. In de cabine naast me boekt de student, die aan de hand van twintig jaar Colgate-commercials de veranderingen in de tijdgeest analyseert, knorrend van genoegen het ene resultaat na het andere. Tegenover hem bestudeert een oude fotograaf de invloed van zijn leermeester Walker Evans op het werk van de filmmaker John Ford, af en toe klapt hij van geestdrift zachtjes in zijn handen. Zelfs het meisje dat in een derde cabine al uren doende is te ontcijferen welk nummer een opgewonden negerbandje speelt in een stomme film heeft aan het einde van een zware dag gevonden wat ze zocht.

En ik?

Ik zag de voeten van Robert Frost door beemdgras schuifelen, de gitaar van Carl Sandburg in zijn bezongen tegenlicht, het dochtertje van Anne Sexton in een paardenstal, de tuin van Marianne Moore met echte padden - hun stemmen als vocale muzak, gemeten aan de speciale beeldlyriek, die sommige filmmakers in petto hebben als de dichters juist laten weten hoe het hoort.

Ik wil daarbij hun koppen zien! Niet wat de camera zich verbeeldt.

Maar nu dan, eindelijk, wandelt Robert Lowell op mijn schermpje uit de coulissen van de grootscheepse anti-Vietnam-demonstratie, die in oktober 1967 hier om de hoek bij het Lincoln Memorial was georganiseerd. Onder anderen door Norman Mailer, die hem in close-up aankondigt: ,,The poet Robert Lowell!'' Hij nadert de microfoon, zoekend in zijn papieren. Uit de enorme menigte welt een kort gejuich op. Lowell kucht verlegen, de dichter als popster, ik ga er voor zitten, dit kan eindelijk wat worden. Hij begint en ik schrijf mee om straks voor de vertaling de tekst te kunnen terugvinden.

Pity the planet, all joy gone...

Dan zie ik zijn gezicht wegzinken in een vloeier naar asgrauwe journaalbeelden van napalmbombardementen en brandende hutten. Gelijktijdig wordt zijn stem weggedraaid en begint de commentator aan de uitleg van zijn nu onverstaanbaar geworden gedicht. Ik druk op de knop fast forward en stel vast dat Lowell er in de rest van zijn eigen portret niet meer aan te pas komt.

Dead Poets

Ook deze videoband breng ik mismoedig terug naar Madeleine, de vriendelijke conservator van de Moving Pictures Reading Room. Ine Waltuch, mijn producer, zit haar juist uit te leggen wat ze zich precies moet voorstellen bij ons programma `Dode Dichters Almanak'. Er gaat haar een licht op. ,,Ah, Dead Poets Society'', zegt Madeleine herkennend. Ze doelt op de zogeheten speelfim van Peter Weir uit 1989. Die heb ik gezien en ik besef plotseling, dat ik mijn eigen titel niet eens zelf heb verzonnen. Nog een geluk dat de arbeid van associaties gratis wordt verricht.

Buiten, in de moordende avondhitte boven Capitol Hill, zegt Ine troostend dat Madeleine, nu ze meer precies weet waarnaar we zoeken, ons morgen uniek materiaal in het vooruitzicht heeft gesteld.

Vijf jaar geleden, een hotelletje in het Ierse dorp Letterfrack - zo'n naam vergeet je niet. Ik heb mijn schoenen uitgeschopt en wacht tot het tv-toestel is aangegloeid: BBC 2. De wind rukt aan de luiken, precies de entourage voor de opdoemende geestverschijning in de hoek van de kamer: het zwart-witte blikken domineesgezicht van T.S. Eliot, die in 1952 een fragment voorleest uit zijn `Four Quartets': The dove descending breaks the air...

Dan de verfrommelde zeemleren kop van W.H. Auden, de meest nabij denkbare close-up, het clownsmasker van Stevie Smith, dat me vijftien jaar na haar dood recht blijft aankijken omdat ze haar befaamde gedicht Not waving but drowning uit het hoofd kende.

Op mijn nachtkastje vond ik de volgende morgen een boodschap, die ik in het nuchtere ochtendlicht nog kon volgen. Achter de namen van Eliot, Auden en Smith had ik die van Bloem en Vestdijk gekrabbeld, de dichters die ik ooit zelf filmde en die vervolgens nooit meer aangeroerd in het archief waren verdwenen. Ook Roland Holst en Hanlo en Hoornik stonden op het eerste boodschappenlijstje voor de `Dode Dichters Almanak'. Teruggekeerd leerde een papieren steekproef in de computerbestanden van Nederlandse en buitenlandse archieven, dat een wekelijks volgehouden poëzie-almanak - streng, alleen de dichter en het gedicht, niet de verbeelding ervan - een aantal seizoenen lang wel kans leek te hebben. De VPRO zette het programma aan het einde van de zondagavond, het enig beschikbare tijdstip met een `open einde'. De lengte van de almanakafleveringen zou immers onvoorspelbaar zijn. Het door Bloem voorgelezen kwatrijn De nachtegalen duurde niet langer dan negentien seconden, terwijl Om wat ik van de liefde weet, waarmee Koos Schuur destijds bij de Vijftigers werd ingelijfd, ruim vijf minuten in beslag nam. Het mogelijk gewekte misverstand, dat de VPRO de avondwijding weer in ere had hersteld, nam ik maar op de koop toe. Dat zou op den duur door de dode dichters zelf - Georges Brassens (Marinette), Johnny van Doorn (Kom toch `ns klaar, klootzak) - wel uit de weg worden geruimd.

De samenstelling van de almanak voerde langs een avontuurlijke route door de archieven, vol van tot niets leidende ontdekkingen en diepe teleurstellingen tot regelmatig oplichtende momenten van goudzoekersgeluk. Zo'n tot niets leidende maar veelzeggende ontdekking betrof het Polygoon archief. Het wekelijks bioscoopjournaal, dat ruim 50 jaar heeft bestaan, is er achteraf niet op te betrappen ooit een regel Nederlandse poëzie te hebben ge-`covered'. Wel dichters, wanneer zij bijvoorbeeld 80 jaar werden (Lodewijk van Deijssel) en bezoek kregen van andere dichters (`de dichter C.J. Kelk laat zich het kelkje geestesvocht goed smaken') of onleesbare inscripties op onthulde monumenten, maar voor het overige beperkte de poëzie bij Polygoon zich tot de cameravoering in onderwerpen over jong leven in de dierentuin of de plotseling ingevallen winter - die vermaledijde manier van filmen, waardoor later zoveel literaire televisieprogramma's zouden worden geteisterd. Ik had gehoopt op Slauerhoff, desnoods Anton van Duinkerken, meer van Roland Holst dan ik tot dusver had gevonden.

Dichterscircus

Toch zag ik, dat er halverwege de jaren `60 plotseling een hausse ontstond in voorlezende dichters. Het startschot was gegeven in Simon Vinkenoogs dichterscircus `Poëzie in Carré', februari 1966, dat in navolging van een dergelijk evenement in de Londense Royal Albert Hall tijdens de voorgaande zomer, nu ook in Amsterdam was georganiseerd. Zesentwintig dichters gebruikten op het toneel de avondmaaltijd, terwijl afwisselend telkens een van hen uit zijn werk las (typerend achteraf dat geen vrouwelijke dichters deelnamen) om de overvolle, meer dan 2000-koppige zaal bezig te houden. De VPRO-televisie, toen nog onder kunstminnend domineesbewind, zond daarvan een verslag uit, dat uitmuntte in het benadrukken van het amusementskarakter van poëzie. ,,Nu de mensen Cees Buddingh' hebben gezien, weten ze dat je om poëzie ook mag lachen'', zei Remco Campert na afloop, ,,maar verder?''

Dat was inderdaad de vraag. Ook Roland Holst was in Carré gefilmd (zijn gedicht Eens werd de opening van onze almanak), maar Buddingh' had met zijn heinz sandwich spread gedicht de show gestolen. Hij werd een vaste medewerker van een inderhaast opgericht VPRO-poëzieprogramma, dat wervend `Muze in spijkerbroek' was getiteld. Hij las daarin bijvoorbeeld zijn gedicht Het nijlpaard - staande naast een echt nijlpaard in Artis en zijn Ode aan de bruine esdoorn in een Dordtsche straat waar deze struik groeide. Zijn vriend Jan G. Elburg las gedichten voor in een rijdende tram en de dichter Riekus Waskowsky deed dat in een broodjeswinkel.

Het zijn achteraf gouden archiefvondsten, intussen opgenomen in de almanak, omdat het goede gedichten zijn, ruimschoots bestand tegen de curieuze maskerade waarin ze destijds werden vertoond.

Vinkenoogs dichtersfeest had ook de aanzet gegeven tot het nu al 30 jaar bestaande `Poetry International' in Rotterdam. De aandacht die de Nederlandse televisie eraan schonk, beperkte zich jaar na jaar hoofdzakelijk tot de vertoning van gebroken glazen en omgevallen flessen en miste zo de kans unieke opnamen te maken van Pablo Neruda, Octavio Paz, Francis Ponge, Erich Fried en vele andere dichters, die er optraden. De diepste teleurstelling betrof de band, die me in het vooruitzicht was gesteld van het optreden van Robert Lowell. Hij bleek na de dood van de dichter kordaat te zijn gewist. Opgeruimd staat netjes!

Lowell leek in de loop van de tijd meer en meer een spoorloos fantoom, dat ik vruchteloos najoeg. In Duitse omroeparchieven vonden we naast talloze Duitse dichters (naast Gunther Eich en Paul Celan en godzijdank Erich Fried) ook de Amerikaan Charles Bukowski, maar geen Lowell. Bij de BBC verwierven we Auden, Eliot, Smith en Betjeman. En Lowell? Zodra hij zijn mond opendeed, werd overgesneden naar waterlelies en wegwaaiende bladeren.

San Francisco State University leverde ons `home-movies' van een ongedwongen lezende Anne Sexton en optredens van Allen Ginsberg, maar de band met Lowell was vorig jaar uitgeleend en ze wisten niet meer aan wie.

En zo zijn we - in Washington voor iets anders - jagend op Amerikaanse poëzie, jagend op Lowell in het filmarchief van de Library of Congress terechtgekomen. Madeleine heeft ons na de teleurstellingen van gisteren een dag extra gegund om haar verrassingen te tonen.

En dit is wat je wel eens droomt. In Madeleines geheime kast staat een geheime kaartenbak en in die geheime kaartenbak steken geheime kaarten, waarop niemand ooit heeft acht geslagen. Niemand, nooit, behalve vandaag, behalve wij. Op die geheime kaarten staan de namen gekrabbeld van Archibald MacLeish, van Elisabeth Bishop, van James Merrill. En van Robert Lowell. En achter die kaarten liggen de geheime banden, waarop we zien hoe ze in het auditorium van de Library of Congress, toen ze nog leefden, voorlazen uit eigen werk, opgenomen door een onaangedane camera, die voor hen in de vloer zat vastgeschroefd zodat hij niet kon ontsnappen naar boomtoppen of watervallen.

Saaier, strenger kon het niet. Maar dit is precies wat ik zoek.

,,Hoe geheim zijn ze?, vraag ik. ,,Ze zijn niet geheim'', zegt Madeleine.

,,Maar niemand heeft ze ooit eerder gezien, zei je.''

,,Dat komt'', helpt ze me uit de droom, ,,omdat niemand er ooit eerder naar heeft gevraagd.''

En ik begrijp dat ik me met een beetje goudzoekersgeluk over de voortzetting van de almanak voorlopig geen zorgen hoef te maken.

Het programma `Dode Dichters Almanak' wordt voortgezet van af zondag 29 augustus 1999