Het gaat om zichtbare koppigheid

Het Oranjewoud in Heerenveen. Dáár moet het museum komen waar `kunstbevorderaar' Thom Mercuur ruimte eist voor traditieloos vrije opvattingen.

Hoewel er nog een paar adders door het gras schuifelen lijkt het Thom Mercuur nu toch echt te gaan lukken: een museum in het loofbos van het Oranjewoud bij Heerenveen, waar de Friese beeldende kunst vertrekpunt zal zijn van een eigenzinnig spoorzoeken naar raakvlakken met nationale en ook internationale opvattingen in de moderne kunsten. De opzet gaat uit van de overtuiging dat de Friese beeldende kunst, zoals die zich in de afgelopen eeuw openbaarde, een eigen kwaliteit heeft, die wordt gedragen door een in de kunstgeschiedenis unieke traditie met een reeks van historische en culturele gegevens als oorzaak.

Thom Mercuur (59), galerist, handelaar, autodidactisch kunsthistoricus, heeft de afgelopen kwart eeuw van zijn bestaan voor een belangrijk deel gewijd aan de plannen voor zo'n museum, dat oorspronkelijk gesitueerd was aan het Tjeukemeer. Een paar keer was het bijna zover, maar dan kwamen de afknappers met soms een persoonlijke depressie als gevolg. Steeds krabbelde hij weer overeind, ogenschijnlijk tegen beter weten in, om het gevecht voort te zetten, lobbyend, schrijvend, bedelend, exposities organiserend, vloekend, manipulerend. Een luchtfietser gingen ze hem noemen, ook veel van zijn vrienden. Er waren medestanders die hem trouw bleven, er waren ook machtige dwarsliggers, waaronder het Fries Museum in Leeuwarden dat zijn territorium aangetast zag.

Toch nog plotseling vielen de afgelopen maanden de stukken op hun plaats: de gemeenteraad van Heerenveen keurde het plan goed, de provinciale overheid volgde, zelfs met algemene stemmen, de financiering kwam rond. Twee anonieme geldgevers garandeerden ruim de helft van de benodigde drie miljoen, een derde onbekende nam Mercuurs persoonlijke collectie over voor zes ton maar stemde er in toe dat die collectie in bruikleen in het museum komt. In dat soort constructies is Mercuur een meester.

Er was nog een lening van de Frieslandbank en zelfs Europa zegde een aanzienlijk bedrag toe uit een voor dat soort zaken bestemde speciale pot. Dat Europese geld moet voor 1 januari aanstaande verstrekt kunnen worden en dat kan alleen als dit jaar nog de eerste steen gelegd kan worden van de door de architect Eerde Schippers ontworpen gepotdekselde houten `kijkdoos' van 73 bij 12 meter.

Hier steekt de adder onder het gras zijn kop op; er zijn nog een paar bezwaarschriften van omwonenden die extra verkeersdrukte naar het bos vrezen. Die moéten dus voor 1 januari behandeld en verworpen zijn. Thom Mercuur zegt niet al te bang te zijn, hij wijst er op dat vrijwel de gehele politiek achter zijn plan staat, dat er in het bos geen enkele boom gekapt hoeft te worden en dat het museum eerder een soort cultureel stilte-centrum voor liefhebbers zal worden dan een trekpleister voor dagjesmensen.

Maar toch.

Als de bezwaarschriften niét voor 1 januari van de baan zijn?

Wat dan?

,,Dan is het over en uit, dan geef ik het op. Opnieuw beginnen doe ik niet.''

Behalve een persoonlijke tragedie zou dat ook een ernstige culturele misser betekenen. Daarvan weet Mercuur zijn gesprekspartner wel te overtuigen.

Tegenspraak

Als het over beeldende kunst gaat is hij in Friesland een moeilijk te omzeilen figuur. In velerlei opzicht voldoet hij dan aan het clichébeeld van de stugge, onverzettelijke Fries, een bijgeloof dat hij ook zelf aanhangt als het om een verklaring gaat voor zoveel getalenteerde eenlingen juist in zijn provincie. Tegenspraak op zijn interessegebied duldt hij niet, slechts hij immers beschikt over het juiste `referentiekader'. Wat dit betreft lijkt hij wel wat op de door hem zeer bewonderde Domela Nieuwenhuis die twee soorten meningen onderscheidde: de zijne en de verkeerde.

Deze fundamentele eigenwijsheid werkt bij hem overigens in positieve zin, het stelt hem in staat decennia lang te blijven vechten en zeuren als het om iets gaat dat volgens hem noodzakelijk is.

In de Encyclopedie van het hedendaagse Friesland die in de jaren zeventig verscheen, wordt hij aangeduid als `kunstbevorderaar' en dat is in zijn beknoptheid een juiste karakteristiek voor deze zoon van een slijter in Heerenveen en een moeder die antiquair en koordirigente was. Ziekte van zijn vader dwong hem al vrij jong de café's af te gaan om drank te verkopen. Zijn echte interesse ging uit naar zijn moeders handel, naar de antiek en zo naar de beeldende kunst.

In het café en bij de filmliga zocht hij aansluiting bij vrienden die zijn belangstelling deelden. Ze hadden het over schilders in de met de figuratie experimenterende hoek. Werkman, Eerman, Kruyder, Jan Mankes, Dick Ket, Belgen als Brusselmans, Permeke en De Smet. Als abstracte openbaring bewonderden zij Mondriaan. Op de atletiekbaan kwam hij Sjoerd de Vries tegen die toen een topsporter was, kampioen hardlopen, een gevreesd sprinter op de schaats. En toen al een knap schilder met een techniek waaraan weliswaar verf te pas kwam, maar toch vooral bleekwater, schroeiplekken, snijden en krassen in lagen karton. De Vries is nu een snel boven het lokale niveau uitstijgende kunstenaar, een kleine man met een grote hoed, aan wie Mercuur diverse exposities wijdde.

Hij, Mercuur en nog een stel anderen gingen deel uitmaken van een soort Friese bohème die overigens nooit echt van de grond kwam. Plannen om, net als elders, een groep te gaan vormen verliepen in dronkenschap en vechtpartijen: ,,Dat lukt hier niet, Friezen blijven alleen. In Groningen gaan ze samen in De Ploeg, hier blijven ze op zichzelf. Dat gold en geldt nog voor meer dingen dan schilderen, er zijn ook belangrijke maar eenzame Friese astronomen en filosofen geweest.''

Hij noemt nog een voorbeeld: ,,Een Fries staat altijd alleen te vissen, een Groninger heeft clubs en organiseert wedstrijden.'' Mercuur zegt dit niet voor niets. Hij is zelf een fervent stroper en vervolgens roker van paling en verkeerde wat dit betreft in voortdurende competitie met de schilder Jopie Huisman, met wiens inmiddels beroemde werk hij later in het Franeker Museum `t Coopmanshûs een expositie organiseerde.

Visrestaurant

Zijn brokkelige en vrijbuiterige loopbaan bleef via de beeldende kunst lopen, als handelaar, galerist, conservator in Franeker en ook van het Fries Museum in Leeuwarden. Er was even een zijsprong toen hij samen met zijn vriend Jaap Wolters (van oorsprong ook galerist en vooral lijstenmaker) het voormalige stationsgebouw van het dorp Dronrijp tot visrestaurant verbouwde. Wolters zit daar nog steeds maar zal in het museum ook het kleine restaurant gaan bestieren. Zo blijven de relaties in elkaar grijpen.

In een informele sfeer breidden zich het werk en de mogelijkheden uit. In een café bijvoorbeeld bood een vermogende kennis hem tijdens een borreltje een historisch pand in het centrum van Harlingen aan. Voor een huur van vijf gulden per jaar kon hij drie jaar over het pand beschikken om er een kunstgalerie in te drijven. Hij bleef er twee jaar en kreeg toen de kans in een polder bij het gehucht Gersloot in de buurt van Heerenveen een historisch gemaal te kopen. In deze ambiance, die op zaterdagen voor het publiek toegankelijk werd, ging hij werk ophangen van de schilders die volgens hem ook in het toekomstige museum thuishoorden.

Mercuur intensiveerde wat hij al was, een hardnekkig speurder naar in de schaduw gebleven of geraakt talent, dat juist in Friesland meer dan elders te (her-)ontdekken viel. Overigens beperkte hij zich niet tot zijn eigen provincie.

Talent

In Friesland, zeker vóór de aanleg van de Afsluitdijk een uithoek van het land en ook in cultureel opzicht altijd tamelijk geïsoleerd gebleven (de taal!), was nooit een echte kunstacademie die stimulerend en aanzuigend kon werken. Talenten daar waren dus, zeker vroeger, gedwongen thuis in eenzaamheid door te zetten of ten onder te gaan. Vandaar de traditie van het autodidactisch ontwikkelde natuurtalent in Friesland. Mercuurs verdienste (hij behoort overigens ook zelf tot de autodidacten, maar dan als kunsthistoricus) was het opsporen van de eenlingen en ze in het licht te zetten. Door exposities, maar ook door boeken en boekjes van zijn eigen kleine uitgeverij, De Drijvende Dobber.

Hij stak zich herhaaldelijk in de schulden om het allemaal vol te houden. Lastige schuldeisers dus, maar hij kreeg ook in 1995 de Zilveren Anjer van het Prins Bernhardfonds.

Jopie Huisman, Gerrit Benner, Jan Mankes, Boele Bregman, Sjoerd de Vries, Rienold Postma, de gebroeders Rinsema, Jan Roos, Willem van Althuis, Tames Oud, het zijn de namen van beeldend kunstenaars uit heden en verleden die mede door Mercuurs activiteiten via de lokale waardering doordrongen tot nationale erkenning. Verzamelaars raakten geïnteresseerd en gingen deel uitmaken van Mercuurs vriendenkring die hij, met hun instemming overigens, schaamteloos ging gebruiken voor zijn museumplan.

Dit nu gematerialiseerde luchtkasteel ontstond toen hij ongeveer een kwart eeuw geleden als conservator van Museum 't Coopmanshûs in Franeker `mooie dingen' kon doen: ,,Het werd een bijkeuken van de moderne kunst.'' Van een soort moderne kunst met de heel speciale mentaliteit die hij moeilijk onder woorden kan brengen. Het gaat om zelf verworven vakmanschap, gekoppeld aan traditieloos vrije opvattingen, soms de figuratie voorbijschietend, soms er juist diep induikend, het gaat vooral om zichtbare koppigheid.

Mercuur ontdekte ook buiten de provincie gelijkgestemde kunstenaars die volgens hem noodzakelijk met `zijn' kunstenaars samen moesten komen. Niet zozeer persoonlijk als wel met hun werk. Zo herontdekte hij het gekweld romantische werk van Tinus van Doorn, een kunstenaar uit het zuiden van het land die in de jaren dertig met zijn zwaar neergezette symboliek naar het komend onheil vooruitwees. In 1940 pleegde hij samen met zijn vrouw in Brussel zelfmoord toen de Duitsers daar binnentrokken.

Ook de Belg Jan Brusselmans trok zijn speciale aandacht, en kort geleden de Brabander Leon Adriaans. Mercuur trok voor zichzelf de conclusie dat het duidelijk maken van de samenhang tussen dit soort kunstenaars, van het bestaan van een zekere samenbindende mentaliteit, nergens gebeurde. Ook niet in het Fries Museum waar toch een mooie collectie aanwezig is.

Hij bedacht dat er een speciaal klein museum voor moest komen in landelijk Friesland. Hij wist niemand minder dan architect Aldo van Eyck te interesseren. Deze maakte schetsen voor een museum aan het Tjeukemeer. Kees Hin maakte een film over het plan, die ter plaatse werd gepresenteerd, samen met een tableau vivant en een expositie van de bedoelde kunst in het riet. Het trok veel aandacht en sympathie, Douwe Egberts zegde vier miljoen toe mits de provincie mee zou gaan. Dat deed de provincie (toen) niet omdat het Fries Museum ging dwarsliggen. Het plan was van de baan. ,,Waarom deed het Fries Museum dat?''

,,Ik weet het niet'', antwoordt Mercuur kortaf.

Luchtkasteel

Hij bleef verbijsterd en ontworteld achter. Vervolgens ging het nieuwe plan groeien, het luchtkasteel herrees.

Het Oranjewoud bij Heerenveen, een aantal tot een mooi loofbos samengegroeide parken, waar de Friese adel en andere vermogenden hun buitens bouwden. Meer in het bijzonder Tjaarda's Bosch waar in Mercuurs jeugd dagjesmensen zoals hijzelf kleine genoegens konden beleven als een doolhof, een `lachkabinet', een glas limonade en het beklimmen van de Belvédère, een niet minder dan dertig meter hoge uitkijktoren.

Dat geheel, aldus Mercuur, is een monument, moet gerestaureerd worden en verrijkt met zijn museum. Inderdaad werd de betonnen uitkijktoren uit 1924 opgeknapt en weer bruikbaar gemaakt en is er het voornemen er opnieuw een doolhof te maken.

Het museum kan gemaakt worden op een stuk grond in het bos waar nu laag hakhout staat, bomen behoeven er niet te sneuvelen.

Een collectie was al jaren aan het ontstaan: Mercuurs eigen verzameling, toegezegde bruiklenen, door Mercuur op veilingen verworven werken met geld van een der drie financiële vrienden die onbekend willen blijven.

De totale collectie omvat ongeveer 250 stukken waarvan de helft in wisselende presentaties getoond kan worden in de permanente expositie van het museum. Het voornemen bestaat verder om per jaar vijf tentoonstellingen te houden, retrospectieven en presentaties van hedendaagse kunstenaars.

Dat alles speelt zich af in kabinetten. Het werk van zo'n tien kunstenaars moet als kapstok dienen om verbanden met het verleden te leggen en aanduidingen te geven van een mogelijke toekomst. In hun uitingen worden de raakvlakken met anderen aangewezen. Wie er naar zoekt kan tal van indirecte verbanden vinden. Hier zal de persoonlijke visie van Mercuur waarschijnlijk gaan overheersen.

Dit is het concept: de kunstwerken laten uitwaaieren in installaties, niet volgens de wetten van de kunstgeschiedenis maar op het gevoel van de samensteller. Mercuur zelf zoekt graag naar connecties met Vlamingen als Permeke met hun aardkleuren, die volgens hem vanuit een overeenkomstige mentaliteit vertrokken als die van de Friezen. Hij heeft het over een Nescio-achtige sfeer.

Hij noemt verder de mogelijkheid van de connecties tussen taal en beeld, van de verbeelde taal zoals in Kurt Schwitters gedicht:

Wij w88888888

Wij tr8888888

Te blijven w88888888

Enzovoorts.

Schwitters en Doesburg waren weer vrienden van de schilder Thijs Rinsema en diens broer Evert, wiens dichtregels gecombineerd kunnen worden met het werk van onder anderen zijn eigen broer:

Geeft u bloemen

Als u bloemen hebt

Langzaam en geleidelijk water

Doe het alsof gij het niet doet

Daarbij neuriënd.

Mercuur citeert de regels daarbij, al vooruitdenkend aan een mogelijke combinatie tussen Jan Roos en Leon Adriaans, twee geheel verschillende kunstenaars met ook weer dat element van totale onafhankelijkheid, zich van niemand wat aantrekkend.

Het Museum zal de Franse openingstijden hebben, van één uur 's middags tot negen uur 's avonds. Buiten moeten hier en daar tussen het groen sculpturen komen die de bezoekers van het lusthof al direct het museumgevoel geven.

Als een der beelden denkt Mercuur zich zo'n grote metalen koffiepot zoals de schilder en beeldhouwer Klaas Gubbels ze maakt.

In het restaurantje moeten hoe dan ook mosselen geserveerd worden die zijn bereid volgens een geheim recept van dezelfde Gubbels. Hij zal dat geheim moeten prijsgeven, desnoods onder dwang.

Er zijn dus in het Friese verrassende dingen te verwachten. Mits de kop van de adder der bezwaarschriften op tijd verpletterd wordt.