Een universitaire dominee

Jan Romein was een van de populairste Nederlandse historici, maar na de oorlog raakte hij als `heterodox marxist' uit de gratie.

Linkse studenten herontdekten zijn werk in de jaren zestig, totdat hij werd overvleugeld door zijn oude leermeester, Johan Huizinga.

Jan Romein, ooit Nederlands beroemdste en beruchtste historicus, was er vast tegen geweest, tegen de NAVO-bombardementen op Joegoslavië. Had hij in 1932 in zijn kroniek Machten van deze Tijd al niet beweerd dat de nieuwe grenzen die na de Eerste Wereldoorlog in de Balkan getrokken waren een groot `minderhedenprobleem' hadden gecreëerd? En had hij toen niet uiteengezet dat dat probleem `binnen de kapitalistische staat onoplosbaar is', omdat deze staat `geen uitzonderingsposities kan dulden'? Interventies van buitenaf gaven geen pas. De oplossing moest van binnenuit komen, van een sociale revolutie.

Kort na de Tweede Wereldoorlog leken de ontwikkelingen in de nieuwe socialistische republiek Joegoslavië Romeins verleidelijk eenvoudige stellingen te bevestigen. Van de minderheden aldaar werd vooralsnog niets meer vernomen. Toch was dit gelijk-achteraf voor Romein geen aanleiding de sociale revolutie te blijven koesteren als panacee voor alle maatschappelijke kwalen. Vijf jaren oorlog, bezetting en genocide hadden hem geleerd dat zaken als vrijheid en tolerantie niet in de wachtkamer gestopt konden worden. Terwijl hij óók moest bekennen – zij het niet van harte – dat dertig jaar sociale gelijkheid in de Sovjet-Unie allerminst tot meer individuele vrijheid had geleid. Oost en West moeten van elkaar leren, decreteerde hij eind 1945 op een cursus van de vereniging Actieve Democratie: `Beide beschavingen worstelen met hetzelfde probleem: hoe kunnen vrijheid en gelijkheid samengaan?'

Derde weg

Het antwoord op deze vraag werd wat Oost-Europa betreft ruim veertig jaar later gegeven, na de val van de Muur. Het dictum van de sociale gelijkheid werd er onmiddellijk afgeschaft zodra de individuele vrijheid werd ingevoerd. Het was een demasqué dat Romein niet meer hoefde mee te maken. Zijn leven lang kon hij blijven hopen op een symbiose van kapitalisme en socialisme. Tijdens de Koude Oorlog weigerde hij dan ook partij te kiezen. Met een groepje geestverwanten, onder wie zijn vrouw Annie Romein-Verschoor en zijn vriend Jacques Presser, zocht hij aansluiting bij de vredesbeweging `De derde weg'.

Het leverde hem al snel het verwijt op een fellow traveller te zijn die zonder partijboekje – dat hij in 1937 had ingeleverd – meeliep achter de banieren van de communisten. Vooral omdat hij elke aberratie in Oost-Europa relativeerde met onvolkomenheden in het Westen. Zo streepte hij met terugwerkende kracht het aantal slachtoffers van de rode terreur uit de jaren dertig weg tegen het feit `dat het verkeer alleen in de Verenigde Staten en Engeland 40 000 mensen per jaar doodt'. En zijn `droefenis en verontwaardiging' bij het neerslaan van de Hongaarse opstand van november 1956 wenste hij óók uit te strekken tot de bloedige onderdrukking van de onafhankelijkheidsstrijd in Algerije.

Politiek gezien liep Romeins derde weg dood, in even goedbedoelende als machteloze dwergorganisaties. Ook zijn rol als populair historicus leek na 1945 uitgespeeld. In de jaren dertig had De lage landen bij de zee, een met zijn vrouw geschreven overzichtswerk, hem een groot lezerspubliek bezorgd. Dat was gecharmeerd van de souplesse waarmee de vaderlandse geschiedenis werd opgenomen in een marxistische raamvertelling die ruimte liet voor Hollandse karaktertrekken als verdraagzaamheid, gemoedelijkheid en geleidelijkheid. De liefdevolle portrettengalerij Erflaters van onze beschaving, een tweede co-productie waarvan het vierde deel kort voor de oorlog verscheen, maakte Jan en Annie Romein nóg populairder. Velen putten er troost uit in de donkere jaren die volgden.

Maar na 1945 werd buiten de poorten van universiteit en wetenschap vrijwel niets meer vernomen van de historicus Jan Romein. Daarbinnen des te meer. Met grote regelmaat en gedrevenheid publiceerde Romein, in 1939 benoemd tot hoogleraar aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam, opstellen waarin hij opriep tot bezinning op de grondslagen en theorie van de geschiedwetenschap. Zijn eigen voorkeur voor een `heterodox' marxistische benadering stak hij daarbij niet onder stoelen of banken, tot verontrusting en verontwaardiging van menig collega. De socioloog Bonger noemde hem `een dominee in wetenschappelijke toga', de historicus Geyl vond dat hij in zijn theoretische ijverzucht `de eigenzinnigheid der concrete verschijnselen' uit het oog verloor.

Tweede leven

Vooral dat laatste stak Romein. Het moet een drijfveer zijn geweest bij zijn voornemen om alle aanzetten tot een nieuwe geschiedwetenschap uit te proberen in een integrale studie naar de periode rond 1900. Alle facetten van de toenmalige wereldcrisis moesten daarin in één groot verband samengebracht worden. Een vermetele onderneming, gedacht als drieluik, waarvan Romein slechts één deel wist te voltooien, ook al werkte hij er de laatste tien jaren van zijn leven als een bezetene aan. `Het Boek' verscheen postuum, bezorgd door zijn vrouw: Op het breukvlak van twee eeuwen (1967).

Kort daarna begon Romein aan een tweede leven. Hij werd de schutspatroon van linkse geschiedenisstudenten die in hun streven om alles te veranderen hun eigen studiepakket op de schop namen. Op veel plekken met redelijk succes, maar juist niet op Romeins `eigen' Historisch Seminarium in Amsterdam. Pas eind jaren zeventig achtte Romeins leerling Maarten Brands het opportuun diens skelet uit de kast te halen en in een werkgroep aan onderzoek te onderwerpen. Het opstandige tij was inmiddels echter gekeerd en er openbaarde zich een curieus voorbeeld van de `wet van het onbedoelde of zelfs averechtse gevolg', één van de vele historische `wetten' die Romein ontdekt had. Niet hijzelf, maar zijn leermeester Johan Huizinga kwam uit de kast om in de jaren tachtig en negentig een ware come back te beleven. Niet het minst dankzij de inspanningen van twee oud-leden van Brands' werkgroep die de – onbedoelde – conclusie trokken dat de zachtmoedige kamergeleerde hun veel meer te zeggen had, en dat mooier deed, dan de luidruchtige volkspedagoog. Beide studenten, Léon Hanssen en Anton van der Lem, zouden in de jaren negentig op Huizinga promoveren en zij stonden samen met Wessel Krul, die óók op Huizinga promoveerde, aan de wieg van talloze (her)uitgaven.

Maarten Brands schudde er mismoedig het hoofd bij. `Ik heb hier een paar jongens gehad die er met veel enthousiasme aan begonnen waren', antwoordde hij in 1993 het universiteitsblad Folia toen hem gevraagd werd waarom er nog steeds niemand op Romein gepromoveerd was. Die `jongens' raakten gefascineerd door Romein omdat deze in vrijwel al zijn publicaties `grootse ouvertures' maakte. Maar diezelfde jongens raakten `teleurgesteld' als zij `het slotschot' hoorden. Dan dachten zij: `Hè, is dat het nou?'

Rode professor

Vijf jaar na deze verzuchting en 36 jaar na Romeins overlijden is er dan toch nog – bij Brands – een historicus gepromoveerd op de `rode' professor van de Universiteit van Amsterdam. Een biografie is het proefschrift van André Otto, waarvan een handelseditie verscheen onder de titel Het ruisen van de tijd, echter niet geworden. Ook de politicus Jan Romein, de Derde Wegger en de vredesbeweger, blijft onderbelicht. Otto is vóór alles geïnteresseerd in Romeins speurtocht naar lijnen en patronen in het historisch proces.

Nauwgezet en geduldig brengt Otto deze speurtocht in kaart. Eén voor één passeren zij de revue: de `wet van het onbedoelde of zelfs averechtse gevolg', de `wet van de remmende voorsprong', de `dialectiek van de vooruitgang', het `algemeen menselijk patroon', de subjectiveit van historische beeldvorming, de `ware tijdgeest'. Het begrippenpaar `zekerheid/onzekerheid' blijkt een centrale rol te spelen; vanaf Romeins proefschrift Dostojewskij in de Westersche kritiek (1925) tot aan Op het breukvlak van twee eeuwen. In het eerste werk ziet Romein de Westerse intelligentsia aan het begin van de twintigste eeuw haar psychische ontreddering uitleven in een bezweringsdans waarvoor Freud en Faust de choreografie schreven. In het laatste heeft het virus van de onzekerheid anno 1900 ook de rest van de bevolking besmet, en blijkt elke groep met sociale of culturele cohesie – naties, klassen, vrouwen, gelovigen, kunstenaars – wanhopig op zoek te zijn naar haar eigen identiteit.

Helemaal geslaagd vindt Otto Romeins tour de force in Het breukvlak niet. De wereld wordt er te veel met Europese ogen bekeken, en de samenhang die Romein suggereert tussen veranderingen in de materiële `basis' en in de ideële `bovenbouw' is vaak ver te zoeken. Bovendien bezwijken veel hoofdstukken onder bergen feiten, Romeins angst voor `archiefgepeuter' ten spijt. Ook de alom gesignaleerde onzekerheid komt niet altijd geloofwaardig over. Soms lijkt het of Romein zijn eigen eenzaamheid en onzekerheid heeft geprojecteerd op al die mensen en gebeurtenissen uit het fin de siècle.

Op de divan

Nieuw zijn deze kritische kanttekeningen bij Romeins `slotschot' niet. In de recensies van Het breukvlak en de necrologieën bij Romeins overlijden zijn zij vrijwel allemaal terug te vinden. Wél nieuw is Otto's poging om Romeins onzekerheid, die hem zijn leven lang parten speelde, te herleiden tot een jeugd `tussen twee werelden'. Hier, en hier alleen, treedt de historicus terug en neemt de biograaf het woord. Maar helaas, zo zorgvuldig en geduldig Otto Romeins theoretische verhandelingen en de praktische toepassing daarvan in kaart brengt, zo gemakzuchtig en gehaast bevraagt hij Romein op de divan.

Romein had al vroeg het gevoel nergens bij te horen, meldt hij aan de hand van de Herinneringen die Romein voor eigen gebruik neerschreef tijdens de oorlog. Als zoon van bemiddelde nouveaux riches was hij op de kleuterschool en de HBS, beide gesitueerd in een volksbuurt, een buitenbeentje. Op de kleuterschool viel het hem op dat de kinderen `stonken, vooral als het geregend had en we met natte kleren aan elkaar plakten'. Desondanks kon Romein `best' met zijn medekleuters opschieten, aldus de Herinneringen. Op de HBS lag dat anders: `De jongens lieten mij hun haat voelen op een manier, die mij eeuwig heugen zal. Met echt klasse-instinct voelden ze, dat bij mijn rijkeluisjongenschap ook een bepaalde vorm van onschuld hoorde en dat zwakke punt grepen zij aan tot mijn vernietiging.'

Echt bevredigend vindt Otto deze zelfanalyse niet. `Men kan zich afvragen', stelt hij retorisch, `in hoeverre de beklemmende gewaarwording nergens bij te horen, die kenmerkend is geweest voor Romeins jeugdjaren, naar een sociaal dan wel een persoonlijk probleem verwijst.' Om vervolgens het ene, sociale, schema te vervangen door het andere en Romeins probleem in een psychologisch hok te duwen: `Het gevoel bij niemand aansluiting te kunnen vinden is typisch voor de neurotische persoonlijkheid, die, als Romein, onder gevoelens van insufficiëntie lijdt en zich alleen al daardoor van zijn omgeving geïsoleerd voelt'. (Vrij naar P.C. Kuiper, Neurosenleer, 1978, vierde druk).

Natuurlijk, Otto kon maar weinig harde gegevens opdiepen uit de schaarse bronnen over de gevoelshuishouding in de driehoek zoon/vader/moeder Romein. En het voorbehoud dat Romein in zijn boek De biografie maakt bij de vermeende authenticiteit van persoonlijke brieven geldt uiteraard ook voor Romeins eigen, achteraf geconstrueerde Herinneringen: `Enige bekendheid (laat staan beroemdheid) is soms al voldoende gebleken, om de hand van de schrijver te remmen of te vieren in het besef dat zijn brief niet alleen door de ontvanger gelezen zou worden.' Maar een echte biograaf zou van al die spaarzame, dubieuze gegevens een levendiger beeld hebben gecreëerd dan het skelet dat Otto ons met behulp van een vergeeld psychologisch handboek voorzet. Dát skelet kan beter onmiddellijk weer de kast in.

André Otto: Het ruisen van de tijd. Over de Theoretische Geschiedenis van Jan Romein. Stichting beheer IISG, 302 blz. ƒ49,90