Een honds bestaan

David Lurie, hoofdpersoon van J.M. Coetzee's nieuwe roman Disgrace, heeft zijn leven heel aardig op orde. `Voor een man van zijn leeftijd, tweeënvijftig, gescheiden, heeft hij naar zijn idee het probleem van de seks tamelijk goed opgelost,' opent de roman. Lurie's stelregel is `volg je temperament', en het zijne is koud, eenzelvig. Een keer per week bezoekt hij een callgirl, Soraya, tot zijn volle tevredenheid. Hij heeft een baan als professor aan de Cape Technical University waar hij zonder enige inspiratie de cursussen `Communication Skills', `Advanced Communication Skills' en `Romantic Poets' geeft. Waarschijnlijk is hij gelukkig, denkt hij, althans, naar de meeste maatstaven. En wie had gedacht dat hij, na twee scheidingen en een leven van vrouwen versieren, met zo weinig tevreden zou zijn?

De onuitstaanbaar zelfvoldane Lurie komt uiteraard binnen de kortste keren ten val, en het zal weinig verbazing wekken dat de oorzaak daarvan uitgerekend `the problem of sex' is. Disgrace is een somber verhaal van schuld, schande en boete in Zuid-Afrika, in gang gezet door een kleine misstap die de hoofdpersoon uiteindelijk tot de grootst mogelijke nederigheid dwingt.

De problemen beginnen haast ongemerkt: Lurie komt in een winkelstraat toevallig Soraya tegen in het gezelschap van haar twee zoontjes. Na deze blik op haar `andere' leven weigert Soraya om hem nog te zien. Tegen beter weten in begint hij dan een affaire met een 20-jarige studente die meer voor zijn overwicht dan voor zijn charmes bezwijkt. Uiteindelijk dient ze een klacht in wegens seksuele intimidatie, en Lurie moet verschijnen voor een onderzoekscommissie. Hoewel hij al bij voorbaat schuld bekent, zonder de aanklachten ook maar gelezen te hebben, wil de commissie méér van hem. Een publieke erkenning van zijn fouten, een spijtbetuiging en verontschuldigingen, liefst oprecht, zouden zijn baan nog kunnen redden. Lurie weigert. Niet alleen heeft hij geen spijt van de affaire, ook vindt hij een openbare boetedoening een uitwas van `deze puriteinse tijden'. Hij verliest zijn baan, reputatie, collega's en vrienden.

Lurie omarmt echter zijn staat van ongenade. Zijn werk was onbevredigend, en misschien heeft hij nu eindelijk tijd om te schrijven. Daartoe besluit hij om een tijdje zijn intrek te nemen bij zijn geliefde enige dochter, de hippieachtige Lucy, op een boerderij in de Oostkaap. Aanvankelijk leidt dat tot idyllische taferelen: de egoïstische Lurie helpt met Lucy's hondenkennel, knapt klusjes op bij de zwarte buurman en voormalige knecht Petrus, en doet vrijwilligerswerk bij de plaatselijke dierenkliniek – weliswaar na de nodige tegenzin te hebben overwonnen. Dan slaat het noodlot toe. Drie zwarte jongens overvallen de boerderij, verkrachten Lucy, overgieten Lurie met brandende spiritus en stelen wat ze verder maar kunnen vinden. Lurie komt er met oppervlakkige brandwonden vanaf, en maakt zich meer zorgen over zijn dochter. Die weigert tot zijn totale verbijstering echter om aangifte te doen van de verkrachting.

Op dit punt wordt duidelijk dat het Coetzee in deze roman te doen is om twee tegenovergestelde waardenstelsels, twee verschillende soorten schuldbesef. Lurie is onmiddellijk bereid de schuld op zich te nemen voor zijn eigen wandaden, maar weigert zijn principes ondergeschikt te maken aan een sociaal wenselijke publieke vertoning. Lucy daarentegen weigert om haar belagers te beschuldigen, omdat ze hun gedrag ziet in de context van de Zuid-Afrikaanse samenleving. `Misschien is dat wel de prijs die je moet betalen om te kunnen blijven,' zegt ze tegen haar vader, `They see me as owing something.' Gewoon een kwestie van economische wetten, `not human evil, just a vast circulatory system, to whose workings pity and terror are irrelevant. That is how one must see life in this country: in its schematic aspect. Otherwise one could go mad.'

Disgrace stelt haar in het gelijk. Lucy staat opeens oog in oog met een van haar verkrachters op het erf van Petrus, de buurman die op de dag van de aanval onverklaarbaar afwezig was. Het blijkt zijn zwager te zijn, nu bij Petrus ingetroken. Terwijl haar vader om rechtvaardigheid schreeuwt, woedend en wanhopig wordt van Lucy's gelatenheid, ziet zij meer heil in aanpassing. Ze weet haar vernedering compleet wanneer ze zwanger blijkt, en wil tot elke prijs in vrede op haar boerderij blijven wonen. Petrus staat al klaar met de oplossing: hij kan haar bescherming bieden, mits ze voor de vorm met hem trouwt en haar land aan hem afstaat. Misschien, zegt Lucy tegen haar vader, moeten ze gewoon maar accepteren dat het geen slecht idee is om helemaal opnieuw te beginnen in dit land, `met niets. Geen papieren, geen wapens, geen bezittingen, geen rechten, geen waardigheid.' `Als een hond.' `Ja, als een hond.' De roman eindigt in de dierenkliniek, waar Lurie zich bezighoudt met wat zijn enige functie is geworden: het op humane wijze afmaken van honden. Niemand anders wil het doen, door het enorme overschot hebben de dieren geen enkele waarde in Zuid-Afrika.

Disgrace is een harde, uiterst realistische roman, maar net als in Coetzees eerdere werk zijn ook hier allegorische betekenissen te ontdekken, benadrukt door parallellen in de structuur van het verhaal, met onverkort pessimistische implicaties. De prijs die Lurie en zijn dochter moeten betalen voor het leven in Zuid-Afrika is het loslaten van hun privileges, principes, eigendom, trots, zelfs hun menselijke waardigheid. Een verknochtheid aan het land leidt zo tot een oefening in onthechting, zonder dat daar een bevrijding of catharsis tegenover staat. Voor Lurie lijkt het eerder een lange aanloop op `the proper business of the old: preparing to die.' Een en ander komt des te harder aan in Coetzees koele, sobere stijl. Ondanks een enkele hint die wijst op een betere toekomst schildert Disgrace een beeld van onthutsende somberheid.

J.M. Coetzee: Disgrace.

Secker & Warburg, 220 blz. ƒ49,95