Een goede Witz is altijd een ramp

George Tabori, schrijver, regisseur, bon-vivant, gaf Wenen een lollig afscheidscadeautje: het schurkenstuk Purgatorium.

George Tabori gaat weg uit Wenen. Dat is geen wereldnieuws, maar wel het einde van een tijdperk. George Tabori kwam twaalf jaar geleden bij het Burgtheater, nu gaat hij daar weg, en dan? Of de vijfentachtigjarige theatermaker na Wenen ooit nog theater zal maken weet niemand, ook Tabori niet. Tabori weet alleen dat hij er binnenkort niet meer zal zijn. Een oude man in Purgatorium rijmelt: `Die Zeit wird knapper, der Schwanz wird schlapper, die Damen werden trocken, hörst du die Totenglocken?'

Purgatorium is, of was, Tabori's Weense afscheidsvoorstelling. Een farce, een petitesse, een luchtig schurkenstuk. Stalin, Roosevelt en Churchill ontmoeten elkaar in het vagevuur, een zee van dik paars pluche. In dat hoerige voorgeborchte bevinden zich ook Proust, Tolstoi, Sarah Bernhardt en een zelfmoordenaar uit Hongarije. Zij allen krijgen nog één kans om aan de hel te ontsnappen: door hun zonden op te biechten en berouw te tonen. Stalin bekent de kelen van dertien priesters te hebben doorgesneden, Roosevelt wist van tevoren van het bombardement op Pearl Harbour, Proust heeft Sarah Bernhardt de Seine in gechauffeerd. Ze komen er goed vanaf, de heren. Er zijn borrelhapjes, het verhoor blijkt een makkie en zelfs Stalin hoeft niet naar de hel. De enige straf is dat ze Duits met elkaar moeten praten (en zo is Purgatorium de eerste direct in het Duits geschreven tekst van de Hongaars-Brits-Amerikaans-Weense jood George Tabori).

Dus babbelen de zondaars hun wachttijd vol met tongbrekende accenten. Stalin klaagt dat er in het purgatorium geen verkrachtbare vrouwen zijn (Sarah Bernhardt met haar houten been moet hij niet) en Tolstoi scheldt op Shakespeare, die zijn Hamlet laat zeggen: de rest is zwijgen, en dat stomgenoeg aan het eind in plaats van aan het begin. Het zijn kinderachtige grappen, geplaceerd door niet al te pientere gasten. Alsof Tabori, hun auteur en ensceneur, zichzelf evenmin met gecompliceerde zaken wilde vermoeien. Geen politieke debatten alsjeblieft. Geen morele haarkloverijen of uitzichtloze conflicten. Even vakantie van de zwaarte der wereldgeschiedenis en vooral van de taak die zwaarte om te zetten in een wijze Witz.

Een Witz begint leuk en dan ineens komt de pointe, en de pointe in een goede Witz is altijd een ramp. En de beste stukken van George Tabori volgen de dramaturgie van de Witz: ze vangen onschuldig aan en eindigen met een catastrofe. In Mein Kampf (1987) behoedt de jood Schlomo Herzl de gesjeesde kunstschilder Adolf Hitler voor de ondergang - om aan het eind te moeten inzien dat dat een fout was. In Goldberg Variationen (1991) valt de regieassistent Goldberg bij een bijbelproject in voor de acteur die Jezus speelt - en wordt tenslotte gekruisigd. Dat komische begin kan in een stuk van George Tabori erg lang duren. Die Ballade vom Wiener Schnitzel (1996) bestaat voor een groot deel uit dijenkletsers als deze:

Schoorsteenveger: Kan ik uw schoorsteen vegen?

Angela: O graag.

(Regieaanwijzing:) Ze kleden zich langzaam uit.

Achtervolgingswaan

Angela is de vrouw van Alfons Morgenstern, en aan hem valt weinig lol te beleven. Hij lijdt aan achtervolgingswaan. Dat zit zo: Morgenstern, fijnproever van beroep, gaf bij zijn bezoek aan Herrmanns Herberge geen enkele ster aan de daar geserveerde Wiener Schnitzels en Hermann ontstak toen in woede. Hij propte de mond van de culinaire expert vol met Wiener Schnitzels en riep: rotjood, eet op! Sindsdien verstopt Morgenstern zich in een kast. Een ernstig onderwerp, die hardnekkige joodse angst meer dan vijftig jaar na de oorlog, maar George Tabori maakt er een leutig geheel van, met spectaculaire vermommingen, sprekende olifanten en een hoop schunnige seks.

En waar de kolder en de wansmaak zo ver worden doorgedreven als hier, daar ontstaat een verontrustend effect. Seks en eten zijn dingen van het dagelijks leven die in hun banaalste vorm herinneren aan de verheven functie die ze óók kunnen hebben. Soms vloeien de waardering voor de andere sekse en die voor een goede maaltijd bij Tabori samen in één grote ode aan de schepping- maar die is broos en heeft helaas twee kanten. Het goede leven is niet alleen maar goed. Het goede leven is in bepaalde omstandigheden zelfs enigszins misplaatst. De hoofdpersoon van Tabori's drieënvijftig jaar oude roman Companions of the Left Hand, zojuist in het Duits verschenen als Gefährten zur linken Hand, is à la zijn auteur een levensgenieter. Stefan Farkas geniet van zijn sigaren, zijn vriendinnen en zijn literaire succes. Zijn boulevardstukken behagen de Weense society en toch kan hij niet in Wenen blijven. Waarschijnlijk - het staat er niet expliciet - omdat Stefan Farkas een jood is.

Tabori behandelt dat thema hier nog omzichtig, zoals hij het grote moorden hier überhaupt nog omzichtig behandelt. Groteske overdrijvingen en grimmige grappen heeft hij nog niet bij de hand. Hij houdt zich netjes aan de goede smaak - en stelt die tegelijk ter discussie, via de Farkas-figuur. Farkas is een Schöngeist die de lelijkheid niet wenst te zien. Een held uit zijn eigen salondrama's wil hij zijn, een heer zonder plichten en zonder belastend verleden. En hij verschijnt als een elegante acteur, een ijdele man met een masker. De romancier George Tabori bestudeert dat masker met koele afstandelijkheid en afstandelijkheid is nu juist Farkas' probleem.

Het was geen probleem in de intellectuele wereld van de Weense koffiehuizen: het vrijblijvende cynisme van de gevierde schrijver viel daar in de smaak. Maar San Fernando stelt andere eisen. San Fernando, een ouderwetse badplaats aan de Adriatische Zee, wordt ingehaald door de tijd. Sneu voor de lokale bevolking, die zwaar moet boeten voor haar verzet tegen het Italiaanse en Duitse fascisme. Sneu ook voor Stefan Farkas, die in San Fernando de oorlog op aangename wijze hoopte door te komen en nu bekneld raakt tussen de ideologische fronten.

Radiopropaganda

Tabori dringt ons zijn standpunt niet op. Hij confronteert ons veeleer met vragen. Zoals de vraag of iemand die geen partij kiest een lafaard is. Of iemand die wel partij kiest zich medeschuldig maakt aan het geweld. Of verantwoordelijkheid en vrijheid, artistieke vrijheid ook, zich met elkaar verdragen. Deze vragen houden George Tabori tot vandaag de dag bezig en hij stelt ze voor het eerst in zijn romans. Zij verschenen tijdens en vlak na de oorlog, in het Engelse taalgebied. Companions of the Left Hand uit 1946 is zijn tweede roman, geschreven aan boord van een schip vol vluchtelingen.

Dat schip was in de herfst van 1943 onderweg van Suez naar Liverpool. Tabori, toen negenentwintig, kwam uit Caïro, waar hij onder het pseudoniem Captain Turner voor de Britten had gespioneerd en radiopropaganda had gemaakt. Zo ervoer hij van de landing van de geallieerden op Sicilië, van Mussolini's val en van diens resurrectie. Companions of The Left Hand speelt zich af tegen die achtergrond, in de zomer van 1943, een zomer van extreme hoop en wanhoop voor partijdigen à la de rebellen van San Fernando, van onrust en een beetje ongemak voor partijlozen à la Farkas. Die in zijn laatste minuten alsnog kleur bekent. IJlend, een schotwond in zijn borst, monologiseert de creperende dramamaker: ,,Een grote première jullie zullen er allemaal bij zijn [-] één groot ensemble [-] natuurlijk alle kameraden kameraden natuurlijk wat dom ik had het moeten weten wat dom om dat te vergeten hoe kon ik dat nou vergeten kameraden kameraden ter linker zijde.'' ,,De companions of the left hand'', legde Tabori later uit, ,,zullen op de dag des oordeels aan de linkerkant van God staan, dat zijn de slechte jongens.'' En op de valreep weet Farkas dat hij bij die slechte jongens, bij die rebellen hoort.

Ook in Tabori's eerste roman komt een man pas tot inzicht terwijl hij sterft. Beter gezegd: hij sterft omdàt hij tot inzicht komt. Beneath the Stone the Scorpion uit 1944 wekte in Engeland en Amerika een storm van verontwaardiging. Want de hoofdpersoon van Das Opfer, zoals de recente Duitse heruitgave heet, is geen Engelsman of Amerikaan en ook geen joodse vervolgde, maar een foute Duitser.

Een officier met gepoetste laarzen en een buikje; een zatte spin in het web van Wehrmacht, SS en Gestapo. Een nazi vertelt het verhaal en we kijken recht in zijn ziel, die niet zwarter blijkt dan de ziel van de vluchteling Stefan Farkas. Met hem heeft Von Borst veel gemeen. Ook de majoor interesseert zich meer voor lekker eten en mooie vrouwen en schone letteren dan voor het moordhandwerk. Ook de majoor verschanst zich achter zijn estheticisme. Ook hij krijgt te maken met een tegenspeler die aan zijn pantser krabt.

Een Britse gevangene herinnert de Duitser aan zijn eigen nederlagen en zijn verleden verwart en beschaamt hem. Zijn Herrenmenschen-ideologie stort ineen; zijn leven ontmaskert hij als een leugen en er rest hem niets anders dan de vergissing die hij is eigenhandig te elimineren. Daar deze tragische figuur niet in de hoek van de monsters kan worden geplaatst beschuldigde de Amerikaanse kritiek Tabori van `tactloze objectiviteit'. Het was geen objectiviteit, schreef Tabori later, het was `bittere woede over de oorlogstijden die de mens met de domheid van alle demonologieën tot stereotype abstraheren'.

Want behalve met het existiëntele probleem van vrijheid en verantwoordelijkheid heeft George Tabori ook zijn leven lang geworsteld met de bijbel, en dan vooral met het gebod: Heb uw vijand lief. In Das Opfer lukte het hem nog om, tegen de tijdgeest in, dat gebod te vervullen. In Gefährten zur linken Hand biedt het niet meer genoeg tegenwicht tegen de macht van het kwaad: soms moet je de vijand bestrijden. Gefährten zur linken Hand is dan ook opgedragen aan Tabori's vader, die in Auschwitz werd vermoord. Maar wie na Auschwitz in blinde haat blijft steken zal steeds nieuwe Auschwitzen mogelijk maken. Vandaar Tabori's ontwikkeling tot humorist (`Wat is de beste Witz? Auschwitz.') en tot wanhopig verzoener. En de minst wanhopige en meest verzoenlijke tekst die Tabori ooit heeft geschreven is Purgatorium. Straks gaat Tabori met Claus Peymann naar het Berliner Ensemble. De twaalf jaren bij Peymanns Burgtheater zijn dan echt voorbij. Ze begonnen met Mein Kampf, die jaren, en ze eindigen met een mild vuurtje. Een vagevuurtje waarin niemand wordt gesmoord. Een Witz zonder catastrofe. Maar wel met een heldere pointe.

Sarah Bernhardt, op de bühne reeds duizenden keren gestorven, mag de biecht overslaan en regelrecht door naar de hemel. Zij ìs al gelouterd - door haar liefde voor het leven en voor het smakeloze, vuige en o zo ware toneel.

`Gefährten zur linken Hand' en `Das Opfer' verschenen bij het Steidl Verlag in Göttingen. Prijs f43,70 per stuk, bij Die Weisse Rose in Amsterdam. Purgatorium is weer in september en oktober te zien in het Akademietheater in Wenen; inl.0043-1-514440.