Balkan is niet rijp voor EU

In NRC Handelsblad van 29 juli deed een eminente groep Oost-Europese politieke waarnemers en westerse Oost-Europakenners – onder wie Timothy Garton Ash – een voorstel om Midden- en Oost-Europese landen versneld te integreren in de Europese Unie. Deze op zich sympathieke gedachte, gebaseerd op de gedachte dat politieke – en geen economische – overwegingen de doorslag moeten geven in het toetredingsdebat, gaat echter voorbij aan de realiteit.

De integratie van Midden- en Oost-Europese (MOE) landen is een hachelijk proces, waarmee de EU terecht voorzichtig omgaat. De verschillen in economische ontwikkeling zijn nog dermate groot, dat integratie zonder verdere regelingen betekent dat het Oost-Europese bedrijfsleven zou worden weggevaagd door het West-Europese, en dat er forse inkomenscompensatiebedragen van West naar Oost zouden moeten vloeien. Ook is er een dermate groot verschil in instituties, procedures en wetgeving, dat een Oost-Europese aanpassing aan de Europese wet- en regelgeving (het acquis communautaire) absoluut noodzakelijk is. Dit is een langdurig proces.

In het voorstel dat de nieuwe Europese Commissie de EU zou moeten omvormen van een ,,op zichzelf gefixeerde organisatie, gepreoccupeerd door haar economische agenda, tot een pan-Europees politiek lichaam'' worden alle krachten onderschat die de EU maken tot wat zij nu is. Neem bijvoorbeeld de landbouwlobby. Uitbreiding van de EU vormt een bedreiging voor de kleine agrarische ondernemers en de inefficiënte ondernemers. Als er een duidelijke schakel zichtbaar is tussen uitbreiding en een nieuw, soberder inkomenscompensatiebeleid, in plaats van tussen veranderingen in de wereldhandel en dat inkomensbeleid, is er toch wel verzet tegen die uitbreiding te verwachten.

Onverantwoorde uitspraken van Kohl en Chirac in de trant van `Polen in de EU in 2000', waren leuk voor de kiezers in Oost-Europa, maar waren gespeend van elke realiteitszin. In Polen is bijvoorbeeld eenderde van de grote en middelgrote industriële staatsondernemingen nog niet eens geprivatiseerd. De betrekkingen tussen de EU en tien MOE-landen zijn gebaseerd op de `Europa-akkoorden', nu associatieverdragen genoemd. Zij geven de landen, op termijn, uitzicht op toetreding tot de Unie. Deze akkoorden vormen de juridische basis voor de economische betrekkingen tussen de EU en de tien betrokken landen. De overeenkomsten zijn juist gericht op economische integratie, met name op een vrijer verkeer van arbeid, kapitaal, goederen en diensten. Daarnaast wordt voorzien in een min of meer gelijkschakelen van een aantal wetten. In de akkoorden is ook sprake van culturele samenwerking en een kader voor een politieke dialoog. Het uiteindelijke doel van de Europa-akkoorden is een vrijhandelszone, waarbij dit binnen 10 jaar na inwerkingstelling van de akkoorden tot stand dient te komen. Hierop volgend is in mei 1995 door de Europese Commissie het `Witboek' uitgebracht. Dit is een leidraad die de geassocieerde landen helpt zich voor te bereiden om aan de eisen van de interne markt te voldoen. Zich aanpassen aan de interne markt is iets anders dan het toetreden tot de Unie, dat met zich mee brengt dat het gehele acquis (het geheel van geldende wet- en regelgeving) geaccepteerd moet worden. Deze passage staat letterlijk in het Witboek. Het is op zijn zachtst gezegd naïef te denken dat de Europese Commissie kan terugkomen op deze volstrekt logische voorwaarde.

In het voorstel van Garton Ash c.s. komt ook de volgende passage voor: ,,De lidstaten lijken nog niet toe te zijn aan de voor die uitbreiding noodzakelijke hervormingen en uitgaven. De kosten hiervoor worden overdreven voorgesteld, terwijl de positieve gevolgen van uitbreiding op de lange termijn in het algemeen worden onderschat.'' Deze uitspraak gaat er dus impliciet van uit dat uit politieke overwegingen binnen de EU de kosten van toetreding te hoog worden voorgesteld, terwijl de schrijvers wel beter weten. Zij gaan bovendien geheel voorbij aan al het wetenschappelijke werk dat die toetredingskosten in kaart heeft gebracht.

Het ongewijzigd overnemen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) zou, als slechts de eerste vijf MOE-landen toetreden, leiden tot een bankroet van dat GLB. Ook de uitgaven via de structuurfondsen zouden dermate stijgen, dat het EU-budget met meer dan de helft zou moeten stijgen. Toetreding van de eerste vijf landen betekent een totale herziening van de criteria voor het GLB en de structuurfondsen. Het is naïef te veronderstellen dat verzet van degenen, die nu de grootste ontvangers zijn van deze bedragen, door de Europese Commissie gesmoord zou kunnen en moeten worden. In het democratisch proces spelen lobby's nu eenmaal een grote rol.

Ook wordt beweerd: ,,zo'n dwangbuis van regelgeving is al evenmin de beste manier om vrije markteconomieën in staat te stellen om te concurreren, wanneer delen ervan ook door bestaande lidstaten niet worden nageleefd.'' Sinds het begin van de economische liberalisatie in Midden- en Oost-Europa is men er zich in West-Europa juist zeer sterk van bewust dat een `vrije markteconomie' alleen maar werkt bij de gratie van uitgebreide wet- en regelgeving. Neem alleen al de ontwikkeling op het gebied van wetgeving met betrekking tot het handelen met voorkennis op de beurs. Juist die regelgeving stelt lidstaten in staat om te concurreren. De schrijvers geven ook geen enkel voorbeeld van gebieden waarop lidstaten bepaalde delen van de wet- en regelgeving niet naleven.

In het laatste gedeelte van hun artikel pleiten de schrijvers ervoor om Balkanstaten het vooruitzicht te bieden op integratie in het ontwikkelde Europa. Dat is een sympathiek voorstel, maar het mist vooralsnog elke reële economische basis. Niet voor niets behoren Bulgarije en Roemenië, met hun uiterst wankele economieën, niet tot de eerste golf van potentiële toetreders, hoewel ze wel tot de landen behoren waarmee Europa-akkoorden zijn gesloten. De Europese Commissie is zich zeer bewust van het feit dat snelle toetreding van deze landen – om niet te spreken van Kroatië, Albanië, Servië, Macedonië en Montenegro, waarmee nog niet eens dergelijke akkoorden zijn gesloten – de EU totaal onwerkbaar zou maken. Het huidige EU-beleid biedt op lange termijn voor de MOE-landen een veel hechtere verankering binnen `Europa', dan een overhaaste, door sentiment gevoede toetreding.

Drs. Erik Dirksen is docent Oost-Europese economieën aan het Oost-Europa Instituut, en docent strategisch management aan de Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie van de Universiteit van Amsterdam.