Van snelweg naar ergens tot grootsheid met liflafjes

Veertig jaar is er gezeurd, en niets gedaan. Zondag gaat het vernieuwde Museumplein in Amsterdam officieel open. Een kritische rondgang.

Het wonder van het nieuwe Museumplein in Amsterdam kan het best worden ervaren als het via de doorgang onder het Rijksmuseum wordt betreden. Na de halfduistere tocht verschijnt plotseling een grote ruimte die echt bij de stad hoort. Na jarenlange grondige verbouwing is het Museumplein nu voor het eerst sinds de jaren vijftig weer een gebied dat gemakkelijk toegankelijk is. Fietsers moeten links of rechts afslaan, voetgangers kunnen ook rechtdoor een paar treden af naar het overvloedige grint dat een vijver omgeeft. Rijen platanen zorgen voor een geleidelijke overgang van de beslotenheid van het pleintje voor het Rijksmuseum naar de grote, open grasvlakte verderop. Zelfs toen het Museumplein nog niet helemaal was voltooid waren hier al ongekende taferelen te zien: er hingen veel mensen rond, zoals het hoort bij een goed plein.

Voor de herinrichting bestond het plein, dat zondag officieel wordt geopend, uit onbevoetbalbare grasvelden. Bovendien lag de beroemde `kortste snelweg van Nederland' tussen de velden en zorgde zo voor een verdere fragmentatie. Alleen bij massademonstraties, kermissen, circussen en huldigingen van zegevierende voetbalelftallen was het er druk.

Over geen plein in Nederland is zoveel te doen geweest. Een eeuw lang hebben architecten, stedenbouwkundigen, politici en buurtbewoners zich er mee bemoeid, maar het leidde vrijwel altijd tot niets. Alleen in 1953 werd het Museumplein flink onder handen genomen, met rampzalige gevolgen. Een jaar eerder had de Amsterdamse gemeenteraad het ontwerp voor het plein van de Nieuwe Bouwer Cornelis van Eesteren aangenomen. Volgens Van Eesteren, als hoofd van de Amsterdamse Stedebouwkundige Dienst ook verantwoordelijk voor het beroemde Amsterdamse Algemeen Uitbreidingsplan, mocht het Museumplein beslist geen `flaneerplein' worden, maar moest het `markante ruimten bieden voor verkeersknooppunten.'

Vervolgens gebeurde er veertig jaar vrijwel niets; ondanks vele plannen bleef het plein een rafelige, pseudo-functionalistische vlakte. Groot was dan ook de verbazing van de Amsterdammers, toen de gemeente Amsterdam en stadsdeelraad Zuid in 1992 plotseling de relatief onbekende Zweeds-Deense landschapsarchitect Sveng-Ingvar Andersson (1927) de opdracht gaven voor een ontwerp voor de herinrichting.

In de loop van de jaren nam de kritiek op diens ontwerp toe. Veel Amsterdammers begonnen met valse weemoed terug te denken aan de snelweg naar nergens. Echte woede wekte het zogenaamde Ezelsoor, een ingang van een ondergrondse Albert Heijn-vestiging en parkeergarage naast de nieuw te bouwen vleugel van het Stedelijk Museum. Steeds kloeker werd dit oor in de latere ontwerpen. Oorzaak was het private partnership, de gebruikelijke hedendaagse wijze van stedenbouw. De bouw van de gewenste parkeergarages had de gemeente Amsterdam in handen gegeven van ING Vastgoed, en dit bedrijf wilde naast de garages ook een grote ondergrondse supermarkt verhuren aan Albert Heijn. Alleen zo kon het de winstgevendheid van de exploitatie van de garages minder onzeker te maken. Geheel volgens het principe Not In My Backyard verzette het Stedelijk Museum zich tegen het Ezelsoor: er zou veel te weinig ruimte overblijven voor de nog te bouwen uitbreiding van het museum naar een ontwerp van de Portugese architect Alvaro Siza. In dagbladen verscheen zelfs een oproep van tientallen min of meer bekende Amsterdammers om de bouw van het Ezelsoor alsnog te schrappen.

Gelukkig is hun moeite vergeefs geweest: het Ezelsoor is een van de troeven van het Museumplein geworden. De met gras bedekte heuvel is een mooi contrapunt van de grote grasvlakte. Al voor de opening van het plein is het een geliefde en comfortabele pleisterplaats van zonaanbidders geworden. Volgens sommigen moet om de oorrand een flink hek worden geplaatst om kinderen en dronkaards te behoeden voor een dodelijke val in de Van Baerlestraat, maar waarschijnlijk zijn de betonnen sleuf en de brede rand wel afdoende. Het enige echte nadeel van het Ezelsoor is dat het te klein is gebleven: op mooie dagen is het er druk als op het strand in Zandvoort.

Gezien vanuit de Van Baerlestraat is het Ezelsoor minder gelukkig uitgevallen. Net als de twee paviljoens bij het Rijksmuseum, die ook door Kees Spanjers zijn ontworpen, is de straatgevel van het oor een staaltje non-descripte horeca-architectuur met modieus dikke dakranden. Echt storen doen de nieuwe gebouwen van het Museumplein niet, al is voetgangersingang pal voor het Concertgebouw wel op de verkeerde plaats neergezet.

Toch valt zelfs naast deze `Architektur ohne Eigenschaften' nu het aftandse karakter van de oude `nieuwe vleugel' van het Stedelijk Museum des te meer op. Ook voor het behoud van deze armzalige veredelde bouwkeet, die in de jaren vijftig als tijdelijk gebouw was bedoeld, is inmiddels een actiecomité opgericht, maar weer is het niet te hopen dat het succes krijgt. Siza, die overigens naast het Ezelsoor genoeg ruimte heeft gehouden voor zijn uitbreiding van het Stedelijk Museum, zet er vast iets beters voor in de plaats.

De andere troef is de al voltooide uitbreiding van het Van Gogh Museum. Van veraf doet het ovalen paviljoen van de Japanse architect Kisho Kurakawa vaag denken aan het baptisterium in Pisa, dat samen met de scheve toren en de kathedraal ook op een grasveld ligt. Van dichtbij blijkt dit gebouw met zijn niet al te elegante vormen en verzonken binnenplaats een volmaakt antwoord op het oorspronkelijke Van Gogh Museum, een lomp, postuum werk van Gerrit Rietveld.

Kurakawa's paviljoen was een onverwacht geschenk van een Japanse magnaat die een liefhebber van Van Gogh was. Andersson kon weinig veranderen aan de plek waar het is neergezet. Maar ook voor de rest van het plein lagen de grote lijnen al vast vóór Andersson aan het werk ging. Volgens gemeente en deelgemeente moest het plein een open groene ruimte blijven, geschikt voor grote manifestaties, en een ondergrondse parkeergarage moest plaats bieden aan vijfhonderd auto's en aan de bussen die vroeger het plein ontsierden. Verder moesten er vlakbij het Rijksmuseum een restaurant met terras komen en diende de ingang van dit museum naar de pleinkant te verhuizen.

Het zijn deze eenvoudige grote lijnen die het plein tot het wonder maken dat het nu is. Andersson heeft er terecht niet aan getornd. Maar veel van wat hij binnen deze grote lijnen wel heeft kunnen doen, is minder geslaagd. Het best gelukt zijn nog de bomenrijen her en der, die nooit de zichtassen bederven. Ook de bestrating van rode klinkers en banen van grijs steen is neutraal en sluit aan op die van ook onlangs heringerichte Amsterdamse pleinen als het Spui en het Leidseplein. Maar de vijver voor het Rijksmuseum is veel te klein om ooit serieus genomen te worden als schaatsbaan. De paars-rode lantaarnpalen lijken afkomstig van de tuinafdeling van Ikea en de bankjes van dun staalplaat met gaatjes in dezelfde kleuren zijn armetierig. Even erg zijn de onduidelijke betonnen `zitelementen' aan de oostelijke rand van het plein, met hun onzinnige spleten waarin nu al lege drankblikjes en ander vuilnis zijn gepropt.

Iel - dat is het sleutelwoord. Het is voorzien van liflafjes die niet bestand zijn tegen de grote ruimte. De bloementuin aan de oostzijde bestaat uit niet meer dan een paar ondermaatse stroken. De drie wandelpaden dwars over het grasveld zijn zo smal, dat twee mensen er alleen met de grootste moeite naast elkaar kunnen lopen. De `lichtlijn' die vrijwel het hele plein doorsnijdt is nu al met zoveel grint bedekt, dat het daar 's nachts nog slechts een zwak schijnsel zal voortbrengen. Zelfs de half-pipe, die er voor de skate-boarders is neergezet, is te klein. ,,Kut ramp. Bedankt A'dam'', staat er al in grote letters opgekalkt.