Turkse bouwondernemer `handelaar in de dood'

In Turkije groeit de woede op bouwondernemers die niet aardbevingbestendig bouwen en op de overheid die niet controleert.

`Een handelaar in de dood.' Zo omschrijft de Turkse krant Milliyet vandaag bouwondernemer Veli Göcer. Bitter meldt de krant dat negentig procent van de door de aardbeving verwoeste huizen in de stad Yalova door hem werden neergezet. Toen inwoners van de stad zich dat realiseerden, staken ze zijn auto in brand. Vervolgens wilden ze hem lynchen, maar hij wist te ontkomen.

Twee dagen na de aardbeving, die inmiddels meer dan 5.000 levens heeft geëist, is Turkije aan een kritisch zelfonderzoek begonnen. Want een aardbeving mag dan een natuurramp zijn, het is inmiddels wel duidelijk, zo vinden veel Turken, dat bouwondernemers noch overheid ooit een serieuze poging hebben ondernomen om zich tegen het natuurgeweld te wapenen.

Vooral de bouwondernemers moeten het ontgelden. Zij kwakken de huizen maar neer, zo is de kritiek, zonder te letten op de veiligheidsvoorschriften van de overheid. Het zou in de constructie van Turkse huizen ontbreken aan cement en deugdelijk staal, waardoor een aardbeving een flatgebouw kan wegblazen als een veertje in de lucht. Veel critici wijzen erop dat vrijwel overal de moskeeën zijn gespaard. En dat komt niet, zo voegen cynici daaraan toe, door de hand van God maar door de grote hoeveelheden staal en cement die bij de bouw zijn gebruikt.

Ook de overheid ligt inmiddels onder vuur. In een verklaring laat de afdeling uit Izmir van de Turkse beroepsvereniging van architecten en ingenieurs weten dat de huidige wetgeving geen rekening houdt met de nieuwste technologische en wetenschappelijke inzichten over de beveiliging van gebouwen tegen aardbevingen. ,,Aardbevingen maken deel uit van het lot van Turkije'', zo voegt Rahmi Pinar, hoogleraar in de geofysica, daaraan toe. ,,Vijfentachtig procent van Turkije ligt op een actieve breuklijn.''

Het Turkse publiek verbaast zich ook over de hardheid waarmee zowel overheid als particulieren een slaatje uit het leed van de aardbeving proberen te slaan. De tolweg tussen Istanbul en Ankara is een van de belangrijkste bronnen van inkomsten voor beide steden. En geld stinkt niet, zo blijkt dezer dagen eens temeer. Gisteren probeerden duizenden mensen vanuit Istanbul en Ankara naar het rampgebied te reizen om hun dierbaren te zoeken. Het zou van verantwoordelijkheidsgevoel hebben getuigd, zeggen critici, als de tolweg gratis was geweest. Maar alleen met een kaartje van 500.000 Turkse lire (ongeveer 2,50 gulden) mochten bezorgde familieleden het rampgebied in.

Ook de particuliere gezondheidszorg laat volgens velen in Turkije fikse steken vallen. Het Duitse Ziekenhuis in Istanbul, zo meldt de Engelstalige krant Turkish Daily News, stuurde veel mensen weg die spontaan bloed wilden geven, en dat op een moment dat niemand nog kon overzien hoe groot de omvang van de ramp was.

Andere ziekenhuizen in het hart van het rampgebied laten zien hoe hard de marktwerking in de gezondheidszorg kan zijn: toen ze zagen dat de vraag naar hun product was gestegen, verhoogden ze hun tarieven met zo'n honderd procent.

En dan president Süleyman Demirel. Toen de president gisteren om half tien 's morgens zijn huis in Istanbul verliet om het rampgebeid te bezoeken, werden de wegen in de omgeving een uur lang volledig afgezet tot grote wanhoop van de mensen die wilden gaan kijken hoe het hun familieleden in het gebied was vergaan.

Nog meer kritiek was er op de woorden waarmee Demirel de slachtoffers van de aardbeving een hart onder de riem wilde steken. ,,De staat is sterk'', zei de president. Volgens de Turkish Daily News zei Demirel precies hetzelfde tegen de slachtoffers van eerdere bevingen in Adana en Ceylan. Zij hebben nog steeds geen dak boven het hoofd.