Post van Peper

Het zal je maar gebeuren als minister. Je bereidt je voor op een dagje ontspannen met elkaar praten over hoe het de komende tijd verder moet met het kabinet en krijgt dan opeens daags tevoren ten behoeve van diezelfde gelegenheid een vierendertig pagina's tellend heus essay van een collega-minister voorgeschoteld. Minister van Binnenlandse Zaken Bram Peper pikte in juli een naar eigen zeggen ,,oude afwijking'' op en schreef een diepgravende beschouwing over de veranderende verhoudingen tussen overheid en samenleving. `Op zoek naar samenhang en richting', gaf hij als titel mee aan zijn stuk.

De kernvraag stelt Peper direct al aan het begin: in hoeverre is het rafelige beeld van Paars II een uitdrukking van meer structurele factoren en bewegingen in politiek en maatschappij? Dat het een retorische vraag is, blijkt uit alle vervolgpagina's. Voor Peper staat vast dat het tweede paarse kabinet door meer wordt geteisterd dan een toevallige samenloop van incidenten en humeuren. Heel grof samengevat komt Pepers analyse er op neer dat het huidige kabinet ten volle wordt geconfronteerd met een al veel langer in gang gezette maatschappelijke omwenteling. Culturele en sociale emancipatie van burgers, revolutie van de informatietechnologie, globalisering van economische verhoudingen, het heeft allemaal bij elkaar geleid tot een zeer breed democratiseringsproces. Dat heeft weer tot gevolg gehad dat het gezag van de overheid niet langer vanzelfsprekend is en tegenwoordig ook andere eisen aan de overheid worden gesteld. Voeg daarbij nog het verschijnsel van de teloorgang van politieke organisaties en duidelijk wordt dat Peper met zijn scherpe essay een zaak heeft aangeroerd die veel verder reikt dan wat communicatiestoornissen van, dan wel binnen een kabinet.

Daarom is het ook de vraag of Peper zijn werkstuk wel aan de juiste personen heeft geadresseerd. Want als het moeizame getob van Paars II slechts een resultante is van veel diepgravender en structurelere ontwikkelingen, is het een zaak die het kabinet ver te boven gaat. Het weekblad HP/De Tijd van deze week meldt dat een niet nader genoemde staatssecretaris van VVD-huize het stuk van Peper onmiddellijk in de prullenbak heeft gedeponeerd. Een andere VVD-er heeft het beter begrepen. Senator Hans Wiegel heeft in schriftelijke vragen minister-president Kok om opheldering gevraagd en tevens aangegeven een discussie over de aanbevelingen van Peper noodzakelijk te achten.

Wat Wiegel werkelijk vindt, moet nog blijken. Interessant is wel dat uitgerekend hij het debat wil entameren. Net als Peper is Wiegel een politicus van de vorige generatie; iemand die gevormd is in de jaren zestig. Het in die tijd verschenen manifest Tien over rood van Nieuw Links beantwoordde Wiegel destijds met het geschrift Een partijtje libre. Het interessante, maar tegelijk ook huiveringwekkende is dat het de politici van toen zijn, die het debat over de vergruizing van de overheid willen aangaan, terwijl de nieuwe generatie zich hult in stilzwijgen. Of is dit nu juist een illustratie van het probleem en zijn mensen als Peper en Wiegel zo'n beetje de laatste politici?

Vast staat in elk geval dat de ontwikkelingen die Peper schetst voor een belangrijk deel onomkeerbaar zijn. Zoals Hans van Mierlo (al weer zo iemand uit de jaren zestig) altijd zegt als geklaagd wordt over de individualisering: het is net als het weer, niet te veranderen. Maar het bestuur kan zich wel aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden. Daar zit echter het probleem. De politieke democratie is aan revisie toe, stelt Peper, maar wordt daar vanaf gehouden door ,,gewenning aan de verwenning.'' Die verwenning is de redelijke stabiele sociale en economische situatie.

Ook hier doet zich een parallel voor met de jaren zestig. Onze nationale sociaal-culturele revolutie vond toen plaats op eveneens een hoogtepunt van de economische conjunctuur. Maar toen was het de verwenning die tot actie leidde, nu is het de verwenning die tot apathie leidt.

De urgentie voor fundamentele aanpassingen wordt maar door weinigen gevoeld. Symptomatisch is de gretigheid waarmee de Haagse inner circle zich nu heeft gestort op het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid. In wezen is dit maar een afgeleide discussie van het veel grotere vraagstuk dat Peper in zijn essay schildert. Natuurlijk is een debat over de scheidslijn tussen ambtelijke en politieke verantwoordelijkheid van belang. Maar veel belangrijker is de vraag wat nog tot het publieke domein – dus het gebied van ambtenaren en politiek – behoort en wat daar buiten is komen te vallen. Dan gaat het over de werkingssfeer van de politiek en alles wat daaraan ten grondslag ligt. Of, zoals Peper het stelt, om de vraag of het huis van Thorbecke met zijn vele aanbouwsels, tussenverdiepingen en achterkamertjes op termijn wel houdbaar is.

Wie gaat die discussie nog aan? Beter gezegd, wie durft die discussie nog aan? De lijst met afgestemde staatkundige vernieuwingsvoorstellen is treurigstemmend lang. D66, de partij die het patent heeft op dit onderwerp, zit op dit moment in de hoek waar de zwaarste electorale klappen vallen. De politiek, het kabinet voorop zal de waarden en normen achter de politiek zichtbaar moeten maken, zegt Peper. Maar of het door hem voorgestane ,,gezaghebbend richting geven'' vanuit het kabinet het tij zal keren valt te bezien. Daarvoor zijn er (nog) te weinig signalen van buiten die daar om vragen. Zolang de `verwenning' het maken van keuzes niet noodzakelijk maakt, hoeft ook geen richting te worden gegeven. Dat de rol van de politiek hierdoor wordt uitgehold is evident. Het wachten is op degenen die de stilte willen doorbreken. Peper heeft met zijn essay een steen in de vijver gegooid, Wiegel wil het debat aan. Maar wie volgt?