Jan S. mocht niet in behandeling

Wat deed de reclassering in Assen voor de man die de moord op Chanel Naomi Eleveld bekende? Over de manipulaties van Jan S. en de grenzen van de wet.

Reclasseringswerker Piet Schut: ,,Ik bleef maar roepen. Dit niet. Dít níet.''

Ank Verdonk, unitmanager van de reclassering in Assen: ,,We hebben zijn hele dossier nageplozen. Hebben we genoeg gedaan? Hadden wij dit kunnen voorkomen? Ik denk het niet.''

Vorige week bekende Jan S. (45) uit Assen zijn 7-jarig buurmeisje Chanel Naomi Eleveld te hebben verkracht en vermoord, haar lichaam lag in de kruipruimte van zijn huis. Dat Jan S. psychiatrisch behandeld moest worden stond op het kantoor van de reclassering in Assen al langer vast. Maar of dat ook kón, was iets anders.

Iedere verdachte heeft een wettelijk recht op privacy – daarom mogen Schut en zijn chef Verdonk niet in detail ingaan op de persoon Jan S. Toch willen ze als direct betrokkenen voor het eerst enige openheid van zaken geven. ,,Om te laten zien hoe wij tegen de wet botsten'', zegt Verdonk. ,,Er zit een lacune in de wetgeving. Juist na een lange celstraf is verplichte nazorg zelden mogelijk.'' Piet Schut: ,,De termijn waarin we iets over S. te zeggen hadden liep af. Dat was het probleem.''

Jan S. was in 1996 al veroordeeld wegens verkrachting van een minderjarig meisje. Hij moest toen een schadevergoeding van ruim 10.000 gulden betalen en kreeg vier jaar celstraf. Jan S. kreeg geen tbs. Want het Pieter Baan Centrum in Utrecht, waar S. destijds werd onderzocht, achtte de kans op herhaling klein. Jan S. ging de cel in. In de gevangenis Norgerhaven in Veenhuizen zocht Piet Schut hem het laatste jaar van zijn detentie iedere twee weken op, ter voorbereiding op zijn vrijlating.

Jan S. verbleef toen op een individuele begeleidingsafdeling. Geisoleerd van andere gedetineerden, om hem te beschermen tegen hun agressie. Ofschoon S. lang had volgehouden dat hij een roofoverval had gepleegd, hadden zijn medegevangenen ontdekt dat hij een verkrachter was.

Samen met de psychiater en de psycholoog van de afdeling probeerde Piet Schut Jan S. te overreden om de laatste periode van zijn celstraf in een forensische psychiatrische kliniek door te brengen. ,,We hebben er eindeloos met S. over gepraat. We waren heel ver, we hebben samen met hem een behandelplan opgesteld. Maar op het laatste moment veranderde hij van gedachten. S. beriep zich op het rapport van het Pieter Baan Centrum. Daar stond toch in dat hij niemand meer zou verkrachten? Juist zedendelinquenten hebben de neiging te ontkennen wat ze hebben gedaan. Ze bagatelliseren.''

Jan S. had inmiddels gehoord van de externe resocialisatieafdeling. Dat leek hem wel wat. Buiten de gevangenismuren onder begeleiding wennen aan een terugkeer in de maatschappij. Schut: ,,Tot hij hoorde dat hij daar verplicht in groepsverband zou moeten vertellen over zijn delict. Daarover was met hem niet te praten. Daar `had hij het moeilijk mee'. S. sprak daarover alsof híj getraumatiseerd was.'' Cynisch: ,,De verkrachting had hem héél pijn en verdriet gedaan.''

Wie niet veroordeeld wordt tot tbs kan toch tot een andere vorm van therapie worden verplicht. De rechter legt dan een zogenoemde `voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden' op: Een veroordeelde krijgt bijvoorbeeld twee jaar onvoorwaardelijke celstraf en daarna een half jaar voorwaardelijk, mits hij zich in die tijd therapeutisch laat behandelen. Volgt de veroordeelde de behandeling niet of niet naar behoren, dan gaat hij linea recta terug naar de cel.

Deze voorwaardelijke straf mag evenwel alleen worden opgelegd bij gevangenisstraffen van maximaal drie jaar. Daardoor kon Jan S., die vier jaar kreeg, niet worden gedwongen tot een behandeling. Terwijl de reclassering hem toch probeerde over te halen tikte de klok door: zodra S. zou vrijkomen zou de reclassering niets meer over hem te zeggen hebben.

Soms verplicht een rechter een veroordeelde ertoe om na het uitzitten van zijn straf voor een bepaalde tijd onder toezicht van de reclassering te blijven. Maar in het geval van Jan S. was dat niet gebeurd.

,,Iedereen'' in Norgerhaven wist dat een behandeling van S. in de psychiatrische kliniek ,,heel noodzakelijk'' was, zegt Schut. ,,Natuurlijk waren we gefrustreerd toen het niet doorging. Onze stemming sloeg om in: dan dus niets. We hadden zoveel tijd aan hem besteed. Het leek volkomen zinloos.''

Jan S. intussen, ontdekte dat hij voor elektronisch toezicht in aanmerking kon komen. De laatste maanden van zijn straf zou hij dan onder huisarrest in een eigen woning kunnen uitzitten. Via een elektronische band om zijn enkel zou dat worden gecontroleerd. Hij was inmiddels in de gevangenis getrouwd met de Poolse vrouw van wie hij een kind had. Zij woonde op dat moment in Polen. Schut: ,,Jan S. ging druk manipuleren. Zijn vrouw en kind zaten in armoedige omstandigheden in Polen. Hij kon zelf aan huisvesting komen. Men moest hem toch laten gaan, zodat zij bij hem konden wonen. Enzovoort.''

Jan S. kreeg zijn zin toen elektronisch toezicht het enige middel bleek waarmee de reclassering S. nog zou kunnen dwingen tot therapie, omdat aan het toezicht voorwaarden verbonden mogen worden. Jan S. kon in juli 1998 met enkelband in een flat in Assen gaan wonen, vlakbij de Mozartplaats waarnaar hij later zou verhuizen.

Voorwaarde één was dat hij zich onder behandeling stelde van het Consultatiebureau Alcohol en Drugs (CAD) om aan zijn alcoholprobleem te werken. Tijdens de verkrachting in 1996 was Jan S. dronken geweest.

Voorwaarde twee was dat S. zou meedoen aan een preventieproject voor seksuele delinquenten. ,,Een vorm van psycho-educatie'', zegt Schut. ,,Er wordt op individuele basis met een therapeut gepraat. S. was opgelucht dat hij niet in een groep over zijn delict hoefde te vertellen.''

Hier eindigde de taak van Piet Schut, die alleen in gevangenissen werkt. Een andere reclasseringswerker nam het over. Die meldde niets ongebruikelijks.

Na de vondst van Chanel Naomi is Ank Verdonk gaan natrekken wat er van de psycho-educatie was terechtgekomen.

Verdonk: ,,Naar het CAD is hij gegaan. Maar naar het preventieproject nooit. Want hij kreeg hartklachten. Hij had een briefje van de huisarts: meneer S. moest spanning vermijden en kon de therapie daarom beter uitstellen.''

Piet Schut wist het niet, al had hij onraad kunnen ruiken. Schut: ,,In de gevangenis was hypochondrie al de rode draad bij S. Altijd had hij wat.''

Jan S. is in het ziekenhuis onderzocht. Verdonk: ,,Met zijn hart was helemaal niets aan de hand.''

Toen duidelijk werd dat S. simuleerde was het te laat om hem nog tot therapie te dwingen. De termijn van zijn elektronisch arrest was bijna verstreken. Zijn vervroegde invrijheidsstelling, een wettelijk recht, zou al snel ingaan. De reclassering kon S. vanaf dat moment tot niets meer verplichten – er was geen tijd meer voor psycho-educatie.

Verdonk: ,,Achteraf denk je: had dat anders gemoeten? Maar wij behoren gezondheidsklachten wel serieus te nemen.''

Toen Jan S. weer vrij man was en met zijn gezin aan de Mozartplaats ging wonen, heeft zijn echtgenote contact gezocht met het CAD. Schut: ,,Hij was meteen weer gaan drinken, zei ze. Maar het CAD kon hem ook nergens meer toe verplichten.''

Intussen mishandelde Jan S. als hij dronken was zijn echtgenote en zijn 4-jarig zoontje, zeggen zijn buren nu. Elly Roelfsema, een achterbuurvrouw wier dochter evenals Chanel Naomi wel eens met het zoontje van S. speelde: ,,Een paar dagen nadat ze hier waren komen wonen was er forse ruzie. Even later zag ik zijn vrouw hierachter tussen de struiken. Ze was een krat bier aan het verstoppen.''

Een paar dagen voor de verdwijning van Chanel liep mevrouw S. voorgoed bij haar man weg. De eerste dagen bleef ze bij een vriendin, een paar straten verderop. Ze vroeg Elly Roelfsema haar fiets voor haar op te halen zo gauw Jan S. zijn huis verliet. Roelfsema: ,,Ze zei dat ze niet meer terug ging omdat hij haar geslagen en verkracht had met het kind erbij. Ze was al te lang gebleven maar durfde niet te scheiden, zei ze. Ze had nog geen verblijfsvergunning.''

M. Erkelens, de buurvrouw direct naast het huis van Jan S.: ,,We hebben haar wel eens horen schreeuwen en het zoontje ook. Op de avond dat hij Chanel vermoordde was alleen onze kleinzoon hier in huis. Om een uur of acht 'savonds is Jan S. bij hem langsgeweest. Hij vroeg zes flesjes bier te leen. Mijn kleinzoon heeft die gegeven.''

Jan S. zei altijd ,,dat het allemaal zó goed ging'', zegt Piet Schut. ,,Als een gedetineerde dat zegt, word ik wantrouwend. Het ging helemaal niet goed.''

Ank Verdonk: ,,Wie nu meer dan drie jaar celstraf krijgt, kan zich daarna aan iedere controle onttrekken. Het lijkt me goed om langgestraften te gaan verplichten tot een vervolgcontact. Met een psychiater, de reclassering, politie.''

Ook, zegt ze, zijn er mensen die ,,nooit meer'' in de maatschappij terecht zouden moeten komen.

Piet Schut: ,,Maar wanneer weet je dat? Jan S. is nu iemand om voorgoed vast te zetten. Maar voor de moord? Ik kan ergens wel begrijpen dat het Pieter Baan Centrum oordeelde dat de kans op herhaling destijds gering was. Al maakte ik me zorgen om S. Dat hij weer zou gaan drinken? Ja. Dat hij zijn vrouw zou mishandelen? Mogelijk. Maar dit? Dit niet.''