Hoe ik insliep

Mijn benen zijn moe van het fietsen, maar mijn hoofd niet. Ik hunker dat Klaas Vaak zich komt vertonen. Het dreunen van een nabije fabriek maakt het onwaarschijnlijk dat ik onder dit Bunschotens fabrieksgeheim Morpheus' armen zal bereiken. Dus bel ik mijn moeder maar en vraag haar een verhaaltje te vertellen. Ze woont helemaal in San Fatiago, maar ik ben toch al van plan om voor dag en dauw dit Bunschotens hotel te ontvluchten zonder te betalen uit protest tegen het nachtelijk fabrieksgehei. Malle telefoonrekeningen kunnen me dus gestolen worden. Ma is wel gewend dat ik om een sprookje schel. Morpheus' armen staan open.

Moesje begint: ,,Er was eens een arme man die een tovenaar tegenkwam, die een steentje in zijn schoen had. Elke keer dat hij dat steentje uit zijn schoen schopte, sprong er weer een nieuw steentje in. De arme man zei: ,,Doe die schoenen toch uit, oen. Ik loop op blote voe'n, heb nooit een steentje in mijn schoen.'' De tovenaar was blij en zei: ,,Je mag drie wensen doen'.''

Ik riep naar Sint Plagerij: ,,Dat heb je al eens eerder verteld, mams, eerst wenst hij een worst, die plakt door zijn tweede wens aan zijn neus en de derde wens moet hij dan gebruiken om die worst daar weer af te krijgen.''

,,Ceesje, ik zei niet dat die tovenaar beloofde dat de drie wensen vervuld zouden worden. Maar de arme man dacht, net als jij, van wel, en hij wenste: `Ik wou dat ik mij onzichtbaar kon maken.'

De tovenaar zei: `Niets eenvoudiger dan dat, arme man. Alle uitvindingen die de mens heeft gedaan, dienen om hem onzichtbaar te maken. De telefoon – dan kun je praten zonder dat je zichtbaar bent. Het elektrisch licht – draai het knopje om en je bent onzichtbaar. De computer – doet alles wat een secretaresse kan, maar zij ziet je niet. De baseballpet – zet hem op je kop en niemand ziet je meer staan. De televisie – je kijkt naar welke beroemdheid je maar wilt, maar zij kunnen jou niet zien. De krant – schrijf erin wat je wilt en je blijft onzichtbaar.'

De arme sprak: : `O tovenaar, praat niet zo raar. Maak mij nou maar snel onzichtbaar.'

En de tovenaar stak zijn stokje uit, wreef erover en de aarde beefde en slokte de arme man op, die onzichtbaar werd tot het einde der tijden. Toen stond hij op en verscheen voor de rechter, die verdacht veel leek op de tovenaar. En de rechter zeide: `Arme man, ik zie u niet'.''

,,En toen, Mammie, en toen?'', had ik willen zeggen, maar ik was ingeslapen. Ik moest vroeg op, voor dag en voor dauw, wat van die twee het eerste kwam. Een kolossale regenbui maakte elke dauw onzichtbaar, dus ik stond op voor de dag, sloop de deur uit en fietste, om goed gedoucht te worden, tegen de regenwind in, in de richting van het kalme Westen, waar moe nu sliep.