Euthanasie hoeft geen splijtzwam te blijven

De beslissing om op iemand euthanasie toe te passen zou vooraf moeten worden getoetst. Een toetsing als kwaliteitswaarborg die in veel gebieden van de geneeskunde niet zou misstaan, meent A. van Dantzig.

Op één dag (13 augustus) drie meningen over euthanasie in deze krant: wel een bewijs dat het een actueel onderwerp is. Het eerste is van J.M.G..A. Schols, verpleeghuisarts. Hij pleit voor toetsing vooraf van de juistheid van de indicatie voor euthanasie. Daarmee wordt het uit de juridische, en in de medische sfeer gebracht. Ik ben dat geheel met hem eens. In een artikel dat ik schreef voor Medisch Contact (15 januari) ging ik zelfs nog een stap verder. Daarin stelde ik voor euthanasie onder de medische exceptie te brengen. Zoals toebrengen van lichamelijk letsel strafbaar is, behalve wanneer dat door een arts wordt gedaan in de uitoefening van zijn beroep, zo zou dan ook ter dood brengen strafbaar blijven, tenzij verricht door een arts in de uitoefening van zijn beroep.

Maar dan rijst de vraag: kan dan iedere arts euthanasie plegen zonder daarvoor verantwoording te moeten afleggen? Daar ben ik tegen, maar dan niet omdat euthanasie een uitzondering zou zijn binnen het medisch handelen, maar omdat een zo gewichtige beslissing een goede kwaliteitscontrole vereist. Daarom zou de arts verplicht moeten worden zijn indicatie vooraf te toetsen bij een daartoe aangewezen instantie. Heeft de euthanasie dan toch een uitzonderingspositie? Nee, deze toetsing gebeurt als kwaliteitswaarborg, en die zou in veel gebieden van de geneeskunde niet misstaan. Wanneer bedacht wordt dat de percentages van operaties voor dezelfde indicatie vele procenten verschillen, van ziekenhuis tot ziekenhuis, en van arts tot arts, dan vraagt dat om kwaliteitscontrole. Verplichte kwaliteitscontrole bij euthanasie zou dan de voorsprong van de achterstand betekenen, en die controle zou niet meer voortkomen uit angst voor misbruik, die geseculariseerde angst voor zondigheid, maar een voorbeeld zijn voor andere gebieden van de geneeskunde waar het om diep ingrijpende behandelingen gaat.

Het tweede artikel is van de hand van dr. B. van Klink, universitair docent. Hij stelt dat er geen recht op euthanasie bestaat, op twee gronden. In de eerste plaats ,,[kan] er nooit een juridisch recht op euthanasie bestaan, omdat hier moreel gezien nooit een juridische plicht tegenover mag staan.'' En als grond voor die uitspraak stelt hij, W.J. Otten citerend: ,,Niemand die iemand helpt bij sterven kan ooit weten of hij het juiste heeft gedaan.'' Om daamee te beginnen: wanneer als indicatie voor euthanasie geldt: uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en die toestand is vastgesteld, en hulpverlener en patiënt zijn het eens, dan is euthanasie de juiste behandeling. Ik zie niet hoe iemand ooit daaraan zou kunnen twijfelen, tenzij hij achteraf zegt dat een behandelingsmogelijkheid over het hoofd was gezien – maar dat is dan gewoon een fout, zoals overal in de geneeskunde voor kan komen. Maar dat risico neemt men overal, dus waarom hier niet.Toetsing vooraf, zoals Schols en ik bepleiten, zou die kans trouwens minimaliseren.

Maar een tweede reden voor de twijfel of men met euthanasie ooit goed doet zou ontleend kunnen zijn aan opvattingen over de aard van de mens. Als men meent dat met de dood niet alles afgelopen is, weet men inderdaad nooit zeker dat men goed gedaan heeft. Misschien blijkt na de dood, in het leven daarna, dat men niet goed gehandeld heeft. Voor hen die daaraan geloven geldt die onzekerheid, dat zie ik in. Maar ik zou willen dat zij inzagen dat anderen, die menen dat met de dood alles teneinde is, die twijfel niet delen, en dat zij dezulken naar hun opvattingen laten leven en handelen. Absolute standpunten verdragen zich slecht met de democratie, gelovigen zouden goed doen zich daar rekenschap van te geven.

Maar Van Klink heeft een tweede argument: euthanasie kan slechts een gunst zijn, niemand kan gedwongen worden een wens tot euthanasie in te willigen, dat moet een gunst blijven. Ik ben met hem eens dat niemand gedwongen kan, of gedwongen zou moeten worden, euthanasie toe te passen. Maar niet omdat er geen recht op euthanasie zou bestaan. Bij een verantwoorde en erkende indicatie bestaat een recht op geneeskundige behandeling, niet alleen voor euthanasie, maar voor alle indicaties. Maar dat betekent niet dat iedere dokter daardoor verplicht zou zijn bij iedere verantwoorde indicatie te behandelen. Hij kan vele motieven hebben zich te verschonen, waaronder morele bezwaren. Maar de patiënt heeft bij een goede indicatie recht op behandeling. Het gaat er dus om een arts te vinden die de behandeling wil doen. Een arts die zich verschoont heeft tegenwoordig wel de plicht te verwijzen naar een arts die wèl wil behandelen. Ik zou dus Van Klinks stelling om willen draaien: bij goede indicatie heeft een patiënt recht op behandeling, maar een individuele dokter niet de plicht daartoe. Die plicht ligt bij de geneeskundige stand en de verzekering, en dat probleem lost zich dus vanzelf op als er genoeg artsen zijn die het recht erkennen.

Bij `gewone euthanasie' is daar geen probleem. Maar het zal nog een probleem worden bij doodswensen van twaalfjarigen tegen de wil van de ouders, en bij euthanasie bij demente bejaarden, die een wilsbepaling hebben waarin om euthanasie gevraagd wordt bij een bepaald stadium van dementie, terwijl ze, wanneer ze in dat stadium zijn, niet lijden maar een aangenaam leventje leiden. Ik heb al van verschillende collega's die in verpleeghuizen werken gehoord dat zij denken dat niet over hun hart te kunnen verkrijgen. Daar ligt dus nog een probleem waar aan gewerkt zal moeten worden, dat wil zeggen waar nog veel over gepraat en gediscussieerd moet worden.

Eveneens in de krant van 13 augustus las ik, in een ingezonden brief van drs. R.J. Bakker, hervormd predikant, dat Anton van Hooff, classicus, mij had aangewezen als boosdoener omdat ik de discussie over euthanasie voor demente mensen, zou hebben bedorven. Daar schrok ik van, en ik heb het stuk van Van Hooff opgezocht, want het was me ontgaan. Ik heb het nu gelezen, en naar ik Van Hooff begrijp, meent hij dat ik de discussie bederf door daar het argument van de slechte verpleeghuiszorg bij in te brengen. Natuurlijk is dat geen argument dat slaat op de principes van de ethische discussie, dat ben ik met Van Hooff eens. Maar we leven niet in de wereld van de ideeën, maar in hun schaduwen, en daar is de kwaliteit van de zorg die hun in het verpleeghuis te wachten staat voor veel mensen wel degelijk een argument bij hun overwegingen om euthanasie te vragen. Gelukkig heeft minister Borst gezegd dat slechte verzorging geen argument mag zijn, en dat dus voldoende geld moet komen om dàt argument voor euthanasie uit de wereld te helpen.

Maar Van Hooff heeft mij slecht gelezen als hij denkt dat ik zou menen dat bij goede verzorging geen aanleiding tot euthanasie zou bestaan. Integendeel. ik ben met hem eens dat dan pas de principiële discussie kan beginnen, een discussie over de beste manier om dood te gaan. Een wilbeschikking maken zolang men nog wilsbekwaam is, met benoeming van een vertegenwoordiger die in overleg gaat met de verzorgers als die neergelegde voorwaarden zich hebben gerealiseerd. En wanneer wel een vertegenwoordiger is benoemd maar geen voorwaarden zijn gespecificeerd, zou een richtlijn kunnen zijn dat euthanasie in aanmerking komt wanneer de patiënt in een fase is gekomen waarin bij het uitbreken van een ziekte, bijvoorbeeld longontsteking, niet meer behandeld zou worden. Dan zou levensbeëindiging ook zonder longontsteking tot de mogelijkheden kunnen gaan horen. Maar het probleem speelt zich dus niet af in de wereld van het zuivere denken, maar in onze rafelige wereld met veel angsten en belangen, en slechts een voortgezette politieke discussie zal naar ik hoop hier naar consensus leiden, zoals dat ook bij anticonceptie en abortus het geval is geweest.

Prof.dr. A. van Dantzig is psychiater.

    • A. van Dantzig